Appellante ontving vanaf 6 augustus 2010 een WIA-uitkering die per 24 mei 2016 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Zij deed meldingen van toegenomen klachten in 2016 en 2017, waarop het UWV besloot geen nieuwe uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde dat sprake was van toegenomen klachten en verzocht om een psychiater als deskundige.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een psychiater die meerdere rapporten uitbracht. Naar aanleiding daarvan wijzigde het UWV haar standpunt en kende zij alsnog een IVA-uitkering toe per de genoemde data. Appellante stemde in met de gewijzigde besluiten maar trok haar hoger beroep niet in en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat door de gewijzigde besluiten het procesbelang van appellante was komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De Raad stelde vast dat de procedure ruim zeven jaar had geduurd, wat een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drieënhalf jaar betekent. De Raad veroordeelde de Staat en het UWV tot een gezamenlijke schadevergoeding van €3.500,- en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.