ECLI:NL:CRVB:2025:1709

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
24/2656 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de niet-ontvankelijkheid van bezwaar tegen besluit Wmo 2015

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 13 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beslissing van de rechtbank Amsterdam. Het betreft een bezwaar van appellant tegen een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amstelveen, waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. De Raad oordeelt dat het college dit terecht heeft gedaan, omdat het bezwaar betrekking had op een maatwerkvoorziening in de vorm van ondersteuning in natura over een periode die al was verstreken. De Raad stelt vast dat het met terugwerkende kracht toekennen van begeleiding in natura niet mogelijk is en dat er geen procesbelang meer is voor een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Appellant had verzocht om schadevergoeding, maar de Raad oordeelt dat ook hier geen procesbelang is, aangezien de omstandigheden van de zaak geen onrechtmatige besluitvorming aantonen. De rechtbank had eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard, en de Raad bevestigt dit oordeel. De uitspraak van de Raad houdt in dat appellant geen recht heeft op vergoeding van proceskosten of griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2024, 23/6911 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amstelveen (college)
Datum uitspraak: 13 november 2025

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of het college het bezwaar van appellant terecht nietontvankelijk heeft verklaard. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.N. Hendriksen Rattan-Tewari, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2025. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok en M. Roodhorst.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft aan appellant, geboren in 1971, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van specialistische begeleiding, behorend bij een zogeheten “laatste kans woning” of omklapwoning.
1.2.
Naar aanleiding van een aanvraag om verlenging van de verstrekte maatwerkvoorziening heeft het college met een besluit van 3 februari 2023 aan appellant op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening individuele begeleiding in natura verstrekt voor 420 minuten per week van 22 februari 2023 tot en met 21 augustus 2023.
1.3.
Appellant heeft tegen het besluit van 3 februari 2023 bezwaar gemaakt en daarin ook verzocht om schadevergoeding.
1.4.
Met een besluit van 26 oktober 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het gaat om een maatwerkvoorziening in natura over een afgesloten periode. Per 1 oktober 2023 is het omklaptraject beëindigd. De woning is met ingang van die datum door de woningbouwvereniging met een reguliere huurovereenkomst aan appellant ter beschikking gesteld. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake meer is van begeleidingsdoelen die verbonden zijn aan het bewonen van de woning. De begeleidingsdoelen gekoppeld aan het gebruik van de omklapwoning waar het bezwaar zich onder andere tegen richt, zijn daarom niet meer aan de orde. Er is dan ook geen sprake van een inhoudelijke beoordeling van de vastgestelde begeleidingsdoelen. Over het verzoek om schadevergoeding zal het college nader besluiten.
1.5.
Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft het college bij besluit van 8 december 2023 het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad over procesbelang – vastgesteld dat ten tijde van het bestreden besluit zowel de onderhuur- als de zorg- en dienstverleningsovereenkomst al waren beëindigd waardoor sprake is van een afgesloten periode. De “laatste kans woning” is namelijk per 1 oktober 2023 door de woningbouwvereniging met een reguliere huurovereenkomst ter beschikking gesteld aan appellant. Appellant heeft hierdoor een woning zonder verplichte afname van zorg. Het resultaat dat appellant met zijn bezwaar op dit punt nastreefde is daarmee feitelijk reeds bereikt, zodat het bezwaar geen betekenis meer voor hem kan hebben. Uit het besluit van 8 december 2023 heeft de rechtbank afgeleid dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat onaannemelijk is dat schade is geleden. De rechtbank heeft dat onderschreven. Het college heeft daarom het bezwaar terecht nietontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van appellant. Het in beroep herhaalde verzoek om het college te veroordelen in de immateriële schade heeft de rechtbank afgewezen omdat geen sprake is van onrechtmatige besluitvorming.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij wel procesbelang had, namelijk de vaststelling van de onrechtmatigheid van het besluit van 3 februari 2023, waardoor hij in aanmerking kan komen voor schadevergoeding. Ook heeft de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond verklaard omdat het college het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard terwijl er een verzoek om schadevergoeding lag, dat de ingang voor ontvankelijkheid had moeten zijn. Zelfs indien het oordeel dat het bezwaar door het college terecht niet-ontvankelijk is verklaard juist zou zijn, had de rechtbank het verzoek om schadevergoeding van appellant zelfstandig moeten beoordelen op grond van artikelen 8:88 en 8:90, eerste lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het standpunt van het college heeft onderschreven dat appellant geen belang meer had bij een inhoudelijk oordeel over het primaire besluit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2023 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. Het gaat om een maatwerkvoorziening in de vorm van ondersteuning in natura over een periode die al is verstreken. Het met terugwerkende kracht toekennen van begeleiding in natura is niet mogelijk. Doordat de “laatste kans woning” per 1 oktober 2023 door de woningbouwvereniging met een reguliere huurovereenkomst ter beschikking is gesteld aan appellant, is niet gebleken dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode.
4.2.
Anders dan appellant heeft gesteld is (proces)belang ook niet gelegen in de beoordeling van zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het bestreden besluit. [1] Volgens appellant is zijn persoonlijke levenssfeer en privacy geschonden doordat hij niet betrokken is geweest bij de voorbereiding van het besluit en doordat hij is afgeschilderd als een agressief en gevaarlijk persoon met wie niet te communiceren valt en die niet bereid zou zijn om hulp te accepteren. Als gevolg hiervan heeft hij gevoelens van wantrouwen, schaamte en vernedering ervaren. Een begin van bewijs voor het ontstaan van psychische schade vorenbedoeld heeft appellant echter niet geleverd.
4.3.
De beroepsgrond dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding van appellant zelfstandig had moeten beoordelen op grond van artikel 8:90, eerste lid, van de Awb en artikel 8:88 Awb mist feitelijke grondslag omdat de rechtbank dat heeft gedaan. De rechtbank heeft dit verzoek van appellant afgewezen. De rechtbank is alleen niet verder gekomen dan het eerste vereiste van artikel 8:88 van de Awb, te weten dat sprake moet zijn van een onrechtmatig besluit.
4.4.
Wat voor het overige is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.2.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) L.C. van Bentum

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1963, onder 4.4.