Appellante vroeg een maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 aan, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures werd de noodopvang beëindigd, waarna appellante en haar kinderen een woning kregen toegewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
Appellante stelde dat zij wel procesbelang had vanwege immateriële schade en kostenvergoeding. De Raad oordeelde dat het feit dat zij inmiddels een woning heeft, betekent dat de besluiten feitelijk geen betekenis meer hebben en dat de gestelde immateriële schade onvoldoende concreet is onderbouwd om procesbelang aan te nemen. Ook een vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep levert geen zelfstandig procesbelang op.
Hoewel het dictum van de rechtbank ten aanzien van bestreden besluit 3 onjuist was, zag de Raad geen belang voor appellante bij correctie hiervan. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de procedures was overschreden, waarop zowel de Staat als het college werden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van €1.000,- elk en betaling van proceskosten van €218,75 elk aan appellante.