ECLI:NL:CRVB:2025:1710
Centrale Raad van Beroep
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening van een eerdere uitspraak inzake ANW-uitkering
In deze zaak wijst de Centrale Raad van Beroep een door verzoekster ingediend herzieningsverzoek af. Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 november 2024. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025, maar partijen zijn niet verschenen. De Raad had op 27 november 2024 uitspraak gedaan in een zaak van verzoekster, waarbij het verzet tegen een eerdere uitspraak van de Raad van 11 april 2024 ongegrond was verklaard. In die uitspraak was het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2022, 21/146 niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster te laat hoger beroep had ingesteld. De zaak bij de rechtbank ging over de weigering van toekenning van een ANW-uitkering omdat de echtgenoot van verzoekster op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was. Verzoekster heeft in haar verzoek om herziening aangevoerd dat zij weduwe is en daarom recht heeft op een nabestaandenuitkering. De Raad oordeelt dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De Raad concludeert dat wat verzoekster heeft aangevoerd geen feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in dit artikel. Daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen. Omdat het verzoek om herziening niet slaagt, krijgt verzoekster het betaalde griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier, en is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.