Appellant ontving bijstand vanaf mei 2017 en het college trok deze per 1 januari 2021 in en vorderde terug wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht. Het college stelde dat appellant onvoldoende uitgaven voor levensonderhoud had en niet had gemeld dat hij vanaf mei 2021 niet meer op het uitkeringsadres woonde.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de lage uitgaven en mogelijke andere inkomstenbronnen, waardoor de schending van de inlichtingenplicht over de periode 1 januari tot 22 juli 2021 niet aannemelijk is. Wel is vastgesteld dat appellant vanaf 22 juli 2021 niet meer op het uitkeringsadres woonde en dit niet had gemeld, wat een schending vormt.
De Raad vernietigt het besluit voor de periode tot 22 juli 2021 en herroept de intrekking en terugvordering voor die periode. Voor de periode vanaf 22 juli 2021 blijft de intrekking van kracht. Het college moet een nieuwe berekening maken en een nieuwe beslissing nemen over de terugvordering. Tevens wordt appellant een proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend.