ECLI:NL:CRVB:2025:1799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding bij politie
Appellante trad in 1999 in dienst bij de politie en was vanaf 2016 werkzaam bij het Basisteam van een eenheid. Over de periode 2016-2019 werd haar functioneren als onvoldoende beoordeeld. In 2021 werd zij buitengewoon verlof verleend vanwege een verstoorde relatie met collega’s en leidinggevenden, waarbij sprake was van wederzijds onveiligheidsgevoel.
In maart 2022 maakte de korpschef het voornemen tot ontslag wegens ongeschiktheid kenbaar, waarna het ontslag per 1 augustus 2022 werd verleend. Het bezwaar leidde tot wijziging van de ontslaggrond naar een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. De korpschef had voldoende pogingen gedaan om appellante elders binnen de organisatie te herplaatsen, maar dit bleek niet mogelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord was en voortzetting van het dienstverband niet redelijk was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, wijst het hoger beroep af en stelt dat geen aanvullende ontslagvergoeding toekomt. De Raad vindt dat de korpschef voldoende inspanningen heeft verricht voor herplaatsing en dat verdere pogingen geen resultaat zouden opleveren.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens een ernstig verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd en blijft per 1 augustus 2022 in stand.