Appellant, laatstelijk werkzaam als grondwerker, meldde zich ziek met psychische en voetklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een IVA-uitkering toe te kennen per 9 juli 2019, omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht. Na diverse procedures en deskundigenrapporten stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij tot 56,40%, maar bleef de duurzaamheid betwist.
De Raad benoemde een verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat er aanvullende beperkingen waren, maar dat de stoornissen zoals depressie, PTSS en ADHD behandelbaar waren en geen sprake was van een stabiel of progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, zodat geen recht op IVA-uitkering bestond.
Daarnaast verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure van zes jaar en vier maanden de redelijke termijn van vier jaar overschreed, waarbij zowel het UWV als de Raad een deel van de overschrijding voor hun rekening namen. De schadevergoeding werd verdeeld tussen de Staat en het UWV.
De Raad vernietigde het besluit van 15 augustus 2023 voor zover de arbeidsongeschiktheid op 56,40% was vastgesteld en stelde deze vast op 80 tot 100%. Tevens veroordeelde de Staat en het UWV tot schadevergoeding en proceskostenvergoeding aan appellant.