ECLI:NL:CRVB:2025:189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde WIA-voorschotten zonder dringende redenen
Appellante ontving sinds 2008 een WIA-uitkering en kreeg in 2020 voorschotten op basis van door haar opgegeven inkomsten uit loondienst en zelfstandige arbeid. Het UWV stelde later vast dat de werkelijke inkomsten lager waren, waardoor te veel voorschotten waren betaald. Het UWV vorderde dit bedrag terug en appellante maakte bezwaar, stellende dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat terugvordering onaanvaardbare medische en financiële gevolgen had.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad benadrukt dat het UWV op grond van de Wet WIA verplicht is te veel betaalde voorschotten terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn.
De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft, en dat het UWV terecht is uitgegaan van de door appellante verstrekte informatie. Het feit dat het UWV de definitieve vaststelling baseert op de belastingaanslag is niet onzorgvuldig. Ook is het niet aan het UWV om tussentijds de juistheid van de opgegeven inkomsten te controleren.
De financiële gevolgen zijn volgens de Raad afdoende ondervangen door de beslagvrije voet en de maandelijkse inhoudingen. Medische klachten die appellante aanvoert zijn onvoldoende onderbouwd als gevolg van de terugvordering. De Raad concludeert dat geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten omdat geen dringende redenen zijn aangetoond om hiervan af te zien.