ECLI:NL:CRVB:2025:1892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
22/1786 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 36 PWArt. 36b PWArt. 31 PWArt. 34 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens voorzienbaarheid en ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant, een bijstandsgerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten na een verhuizing die voortvloeide uit conflicten met buren. Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing voorzienbaar was en appellant had kunnen reserveren voor de kosten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden zoals vereist in artikel 35 van Pro de Participatiewet. De verhuizing was niet onvoorzien, aangezien appellant zich al in 2018 had ingeschreven bij WoningNet. Ook had appellant een betalingsregeling getroffen voor huurachterstand en kon hij niet worden gelijkgesteld aan doelgroepen die recht hebben op bijzondere bijstand voor woninginrichting volgens de Richtlijnen bijzondere bijstand Utrecht.

Appellant voerde aan dat het besluit onevenredige gevolgen had en dat hij financieel in de problemen kwam, maar de Raad stelde dat het evenredigheidsbeginsel niet leidde tot het buiten toepassing laten van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Participatiewet. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd wegens voorzienbaarheid en ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

22/1786 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 april 2022, 21/4959 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 16 december 2025

SAMENVATTING

In deze uitspraak gaat het om een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35 van Pro de Participatiewet (PW). De verhuizing en daarmee dus ook de kosten daarvan waren voorzienbaar, appellant had dus voor die kosten kunnen reserveren. Appellant komt ook niet in aanmerking voor de kosten op grond van het beleid. Appellant is het hier niet mee eens en doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Joosten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Joosten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.
De Raad heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is heropend naar aanleiding van een uitspraak van de grote kamer van de Raad (grote kamer) van 15 mei 2025. [1] De Raad heeft deze uitspraak aan partijen toegezonden en hen gevraagd welke gevolgen deze uitspraak heeft voor hun zaak.
Beide partijen hebben gereageerd.
De Raad heeft partijen vervolgens laten weten dat hij een nader onderzoek ter zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de PW.
1.2.
Appellant heeft in 2011 problemen gekregen met zijn buren. De verhuurder [naam verhuurder] heeft geprobeerd te bemiddelen. In 2018 heeft appellant zich ingeschreven bij WoningNet voor het vinden van een nieuwe woning. In het najaar van 2020 is het conflict met de buren geëscaleerd. In februari 2021 heeft [naam verhuurder] in verband met deze situatie een eenmalig aanbod voor een nieuwe woning aan appellant gedaan. Appellant heeft dat aanbod geaccepteerd.
1.3.
Appellant heeft op 30 april 2021 bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuiskosten en inrichtingskosten (dubbele huur, materialen voor schilderen en vloeren, arbeidsloon, lamellen/gordijnen en een kledingkast en bed) voor een bedrag van in totaal € 3.350,-.
1.4.
Appellant is in oktober 2021 naar de nieuwe woning verhuisd. Uit een brief van 16 september 2021 blijkt dat [naam verhuurder] met appellant een regeling heeft getroffen om de achterstand van zijn huur tot een bedrag van € 617,36 in 10 termijnen af te betalen.
1.5.
Appellant heeft in januari 2022 een bedrag van € 2.000,- als gift ontvangen van Stichting Noodhulp [plaatsnaam] voor de kosten van de wooninrichting.
1.6.
Met een besluit van 13 juli 2021 heeft het college de aanvraag voor verhuis- en inrichtingskosten afgewezen. Met een besluit van eveneens 13 juli 2021 heeft het college de aanvraag voor een bed, inclusief een matras, toegekend tot een bedrag van € 340,- om niet.
1.7.
Met een besluit van 2 november 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juli 2021 over de verhuis- en inrichtingskosten ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gaat om incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Van bijzondere omstandigheden voor toekenning van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten is geen sprake. Appellant staat al drie jaar ingeschreven bij WoningNet en hij kon weten dat hij een keer naar een andere woonruimte zou gaan verhuizen. Appellant had vanaf het moment van inschrijving kunnen en moeten sparen. Op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Richtlijnen bijzondere bijstand Utrecht (RBBU) kunnen voor bijstandsverlening in aanmerking komen de kosten van een noodzakelijke, niet voorziene verhuizing. Hiervan is in het geval van appellant geen sprake. Op grond van artikel 17, eerste lid, onder a, tot en met g, van de RBBU kan appellant in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de inrichting van zijn woning als hij tot een van de doelgroepen behoort. Appellant behoort niet tot een van de doelgroepen en kan daarmee ook niet worden gelijkgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit om geen bijzondere bijstand toe te kennen voor verhuis- en inrichtingskosten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.3.
Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is dan aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld.
4.4.
Ter zitting heeft appellant toegelicht dat de inzet van het geschil wordt beperkt tot een bedrag van € 1.010,-, in verband met de compensatie door het Noodfonds en de toekenning van de kosten voor het bed.
Bijzondere omstandigheden
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat hij zich uit voorzorg heeft ingeschreven bij WoningNet omdat de wachttijd voor een huurwoning in [woonplaats] kan oplopen tot twaalf jaar. Het waren onverwachte omstandigheden, appellant werd bedreigd en heeft aangifte gedaan bij de politie, waardoor hij plotseling moest verhuizen. Deze omstandigheden waren niet te voorzien en bijzonder te noemen. Gelet op zijn inkomen kon hij bovendien niet in drie jaren het benodigde bedrag bij elkaar sparen. Hij had alleen € 300,- overgehouden van zijn vakantiegeld, maar dat is niet hiervoor bedoeld. Hij heeft aangetoond dat hij een huurachterstand heeft en hij heeft verschillende facturen overgelegd die de kosten van de verhuizing en inrichting aantonen. Deze beroepsgronden slagen niet.
4.6.
Tussen partijen is in geschil of de verhuis- en inrichtingskosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in het algemeen en een onvoorziene verhuizing als bedoeld in artikel 15 aanhef Pro en onder b, van de RBBU in het bijzonder.
4.6.1.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden en aan de voorwaarde van onvoorziene verhuizing van artikel 15, aanhef en onder b, van de RBBU is voldaan. De verhuizing was voorzienbaar, gelet op de problemen met de buren en dat appellant dat ook daadwerkelijk voorzag blijkt uit de het feit dat hij zich in 2018 al had ingeschreven bij WoningNet. Appellant heeft niet voldoende onderbouwd dat hij voorafgaand aan zijn verhuizing, in ieder geval vanaf 2018, onvoldoende heeft kunnen reserveren. Appellant heeft verder een betalingsregeling met de verhuurder kunnen treffen voor zijn huurachterstand, zodat het bedrag van € 650,- aan dubbele huur door gespreide betaling achteraf is geregeld.
Artikel 17 van Pro de RBBU: woninginrichting
4.7.
Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de RBBU gelijkgesteld kan worden met de categorieën genoemd onder artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f van de RBBU. Appellant heeft gesteld dat een acute onhoudbare situatie was ontstaan bij zijn woning. De situatie was zo bijzonder en acuut dat hem op korte termijn een andere woning werd aangeboden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.1.
Het college heeft toegelicht dat als een betrokkene behoort tot een van de doelgroepen uit artikel 17 van Pro de RBBU, bijzondere bijstand wordt verleend, zonder inhoudelijke toets aan artikel 35 van Pro de PW. Het college kan worden gevolgd in zijn standpunt dat artikel 17 van Pro de RBBU tegenwettelijk begunstigend beleid betreft, voor zover het college op grond hiervan – ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen – bijzondere bijstand voor de kosten van inrichting van een woning kan verlenen. [3] De Raad heeft dit overigens ook al eerder overwogen. [4]
4.7.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt tegenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven aanvaard en dus niet op rechtmatigheid getoetst, met dien verstande dat wel wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. [5]
4.7.3.
In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de RBBU gaat het om personen die uit een situatie komen waarin ze geen eigen woning hadden en daarom geen woninginrichting bezitten om een woning in te richten, dan wel om bijzondere redenen geen woninginrichting meer hebben als ze een nieuwe woning betrekken. De situatie van appellant was anders. Hij is van de ene woning naar een andere woning verhuisd en had dus al een ingerichte woning. Het college heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant niet met de doelgroepen uit artikel 17, eerste lid, a tot en met f, van de RBBU kan worden gelijkgesteld en heeft met het bestreden besluit zijn beleid consistent toegepast.
Evenredigheid
4.8.
Appellant heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen voor hem heeft. Hij dreigt financieel in de problemen te komen. Hij heeft een huurachterstand opgelopen bij [naam verhuurder] . Inmiddels heeft hij zich ook aangemeld bij de Voedselbank. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.8.1.
Voorop staat dat er geen ruimte bestaat om te toetsen of het college van het beleid neergelegd in artikel 17 van Pro de BBRU had moeten afwijken, omdat sprake is van tegenwettelijk beleid. [6]
4.8.2.
Wat appellant naar voren heeft gebracht komt er uiteindelijk op neer dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval meebrengt dat artikel 35 van Pro de PW volgens hem buiten toepassing moet blijven. Artikel 35, eerste lid, van de PW is een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. [7] Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat het onder bepaalde omstandigheden wel mogelijk is de wet in een concreet geval buiten toepassing te laten. [8] Daarom is voor de beoordeling van deze beroepsgrond van belang of zich bijzondere omstandigheden voordeden die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.
4.8.3.
De door appellant gestelde bijzondere omstandigheden, namelijk dat hij financieel in de problemen dreigt te komen, hij een huurachterstand heeft opgelopen en zich heeft aangemeld bij de voedselbank, brengen niet met zich dat toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege dient te blijven. Dit betekent dat de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd, hier geen afzonderlijke beantwoording behoeft.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A.S. Timp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels

Participatiewet
Artikel 35. Individuele en categoriale bijzondere bijstand
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Richtlijnen bijzonder bijstand van de gemeente Utrecht 2022
Artikel 15. Kosten in verband met bijzondere sociale, financiële of medische omstandigheden
Voor bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking:
b. de kosten van een noodzakelijke, niet voorziene verhuizing;
Artikel 17. Woninginrichting
1. Voor bijstandsverlening komen de noodzakelijke kosten van inrichting van een woning in aanmerking, als de belanghebbende behoort tot een van de volgende doelgroepen en feitelijk geen goederen en/of middelen bezit om een woning in te richten:
a. personen die een verblijfsvergunning hebben gekregen en op basis van de taakstelling huisvesting vluchtelingen voor de eerste maal in [plaatsnaam] een woning krijgen;
b. personen die na afloop van een Voorlopige Vergunning tot Verblijf (VVTV) in [plaatsnaam] een woning betrekken;
c. daklozen, die opnieuw een woning betrekken;
d. personen die na vertrek uit een vrouwenopvanghuis opnieuw een eigen woning gaan betrekken;
e. personen die uit een langdurige detentie of (psychiatrische) opname komen en opnieuw een woning betrekken;
f. personen die hun huis hebben vervuild en waarbij de GG&GD een schoonmaakoperatie heeft uitgevoerd;
g. overige personen die op grond van individuele omstandigheden aan een in a t/m f genoemde persoon kunnen worden gelijkgesteld.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
3.Uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3157.
5.Zie uitspraak onder voetnoot 3.
6.Zie rechtsoverweging 4.7.1 en de uitspraak onder voetnoot 3, onder 4.9.3.1.
7.Vergelijk de uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1383.
8.Zie uitspraak onder voetnoot 3.