ECLI:NL:CRVB:2025:204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant vroeg om herziening van het UWV-besluit van 26 oktober 2012, waarin een Wajong-uitkering werd geweigerd omdat hij 75% van het minimumloon kon verdienen. Hij stelde nieuwe feiten en toegenomen arbeidsongeschiktheid te hebben, wat een herbeoordeling zou rechtvaardigen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het UWV terecht bij het oorspronkelijke besluit bleef, hoewel het UWV een procedurefout maakte bij de Amber-beoordeling (toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na studie).
Na herstel van dit gebrek oordeelde de rechtbank dat er geen toename van beperkingen was aangetoond en wees het verzoek af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, die de eerdere uitspraken bevestigde. De Raad concludeerde dat de medische gegevens geen nieuwe feiten bevatten en dat de beperkingen niet waren toegenomen in de relevante periode. De Raad wees ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af.
Het hoger beroep werd verworpen, het bestreden besluit werd bevestigd en appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht. De Raad benadrukte dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd heeft gehandeld en dat het beroep op de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid niet slaagt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de weigering van een Wajong-uitkering wordt bevestigd.