ECLI:NL:CRVB:2025:239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
12 februari 2025
Zaaknummer
22/3852 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake een besluit van het UWV. Tijdens de procedure heeft het UWV een nieuw besluit genomen op 3 januari 2023, waarmee het volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen. Hierdoor heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwogen dat bij intrekking van beroep wegens tegemoetkoming het bestuursorgaan kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad heeft het standpunt van het UWV verworpen dat een zeer lage wegingsfactor voor de kostenvergoeding zou gelden, omdat appellant wel degelijk een inhoudelijk hoger beroepschrift had ingediend.

De Raad heeft de zaak als gemiddeld van aard beoordeeld en de proceskosten vastgesteld op €2.721,- voor verleende rechtsbijstand, plus vergoeding van het betaalde griffierecht van €186,-. Het UWV is veroordeeld tot betaling van deze kosten aan appellant.

De uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk namens de Centrale Raad van Beroep op 12 februari 2025.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van €2.721,- aan proceskosten en €186,- aan griffierecht aan appellant.

Uitspraak

22/3852 WW
Datum uitspraak: 12 februari 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 november 2022, 22/1019 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een besluit van 3 januari 2023 overgelegd.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Appellant heeft daarop gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het besluit van 3 januari 2023 volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van onderscheidenlijk 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2.
Uit vaste rechtspraak [1] volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat behandeling van een zaak in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt naar vaste rechtspraak slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie licht of zeer licht, dient het bestuursorgaan dit te motiveren.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak een wegingsfactor van 0,25 (‘zeer licht’) moet worden gehanteerd, omdat namens appellant geen inhoudelijk hoger beroepschrift is ingediend. Dit standpunt kan, wat hier verder ook van zij, reeds niet gevolgd worden omdat op 18 januari 2023 wel degelijk een inhoudelijk hoger beroepschrift is ingediend. De Raad ziet ook anderszins geen aanleiding om in deze zaak een lagere wegingsfactor dan 1 toe te passen.
Dit betekent dat de proceskosten worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907,- per punt) en € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 2.721,-, voor verleende rechtsbijstand.
Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.721,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) S. Pouw

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1016.