ECLI:NL:CRVB:2025:26
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening toeslag op grond van de Toeslagenwet wegens niet doorgegeven arbeidsongeschiktheidspensioen
Appellante ontving een toeslag op haar WIA-uitkering die het UWV per 1 februari 2019 herzag naar € 145,51 bruto per maand, omdat zij niet had doorgegeven dat zij een arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) ontving. Het UWV had eerder de toeslag geschorst en beëindigd vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, maar na bezwaar werd het recht op toeslag weer voortgezet. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde de herziening.
Appellante stelde in hoger beroep dat het AOP ten onrechte als inkomen werd aangemerkt en dat de herziening met terugwerkende kracht het rechtszekerheidsbeginsel schond. De Raad oordeelde dat het UWV de toeslag correct had berekend en dat appellante de oorzaak van de herziening zelf had veroorzaakt door het niet doorgeven van het AOP. De Raad bevestigde dat de herziening niet in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Raad benadrukte dat herziening met terugwerkende kracht in beginsel strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel, tenzij sprake is van onjuiste of onvolledige informatie door de verzekerde. In deze zaak woog de Raad mee dat appellante niet tijdig had gemeld dat zij een AOP ontving en dat het UWV pas op 14 juni 2021 hiervan op de hoogte was. Het hoger beroep werd verworpen en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de toeslag terecht per 1 februari 2019 heeft herzien wegens het niet doorgeven van het arbeidsongeschiktheidspensioen.