ECLI:NL:CRVB:2025:268
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- D. Hardonk-Prins
- K.H. Sanders
- B. Serno
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling pgb en terugvordering wegens niet-ondernemerschap Stichting Robero
De zaak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake de lagere vaststelling van het persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2018 en de terugvordering van een bedrag van €26.792,- door het zorgkantoor. Het zorgkantoor had het pgb voor 2018 vastgesteld op €49.553,-, maar stelde later vast dat het maximale tarief per uur niet van toepassing was, waardoor een lagere vergoeding gold.
Appellanten, de erven van de betrokkene, betwistten dat Stichting Robero kwalificeert als onderneming zoals bedoeld in artikel 5.22, lid 2, onder a, van de Regeling langdurige zorg, waardoor zij meenden dat de hogere vergoeding had moeten gelden. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het besluit van het zorgkantoor in stand gelaten.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat Stichting Robero geen onderneming is in de zin van de Regeling langdurige zorg. De Raad baseert zich op het ontbreken van een inschrijving in het handelsregister die wijst op het verlenen van Wlz-zorg. De stelling van appellanten dat omschrijvingen in het handelsregister vaak niet expliciet Wlz-zorg vermelden, werd niet onderbouwd en leidt niet tot een ander oordeel.
Hierdoor blijft het bestreden besluit over de lagere vaststelling van het pgb en de terugvordering gehandhaafd. Appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de lagere vaststelling van het pgb en de terugvordering van €26.792,- wegens het ontbreken van ondernemerschap van Stichting Robero.