ECLI:NL:CRVB:2025:27
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende arbeidsgeschiktheid na eerstejaarsbeoordeling
Appellant was timmerman en meldde zich ziek op 25 november 2019, waarna hij een Ziektewet-uitkering ontving. Na een eerstejaars ZW-beoordeling beëindigde het UWV zijn uitkering per 1 oktober 2020 omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Appellant meldde zich opnieuw ziek op 8 maart 2021, maar een medisch onderzoek op 20 april 2021 concludeerde dat zijn beperkingen niet waren toegenomen en dat hij geschikt was voor de eerder geselecteerde functies.
Het UWV beëindigde daarop opnieuw de ZW-uitkering per 20 april 2021, wat appellant aanvocht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was. Appellant voerde aan dat zijn fysieke en psychische klachten hem verhinderen vijf dagen per week acht uur per dag te werken, maar dit werd door de Raad niet gevolgd.
De Raad stelde vast dat volgens vaste rechtspraak het recht op ZW-uitkering afhangt van ongeschiktheid voor het laatst verrichte werk, met een uitzondering bij herhaalde ziekmelding na een eerstejaarsbeoordeling. De medische beperkingen van appellant waren niet toegenomen, en de geselecteerde functies bleven geschikt. De Raad verwierp de door appellant aangevoerde aanvullende klachten en concludeerde dat de uitkering terecht was beëindigd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is per 20 april 2021 terecht beëindigd wegens voldoende arbeidsgeschiktheid.