ECLI:NL:CRVB:2025:272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na herbeoordeling medische beperkingen
Appellant was sinds december 2018 ziekgemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling in 2019 en een bezwaarprocedure beëindigde het UWV zijn uitkering per 24 november 2020, omdat appellant niet meer geschikt was voor zijn oude werk, maar wel voor andere functies.
In januari 2022 meldde appellant zich opnieuw ziek met Covid-19 klachten. Op 5 april 2022 werd hij medisch beoordeeld en geschikt bevonden voor de eerder geselecteerde functies. Het UWV beëindigde daarop zijn ZW-uitkering per 12 april 2022. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, ondanks een procedureel gebrek (ontbreken hoorzitting), omdat appellant niet benadeeld was. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen zwaarder waren dan aangenomen, mede door psychische klachten en Covid-19 restklachten, onderbouwd met medische stukken.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische beperkingen sinds de eerdere beoordeling niet waren toegenomen en dat de geselecteerde functies medisch geschikt bleven. De psychische klachten en Wmo-voorzieningen gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 12 april 2022 omdat de medische beperkingen niet zijn toegenomen.