ECLI:NL:CRVB:2025:279
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd met schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant werkte als elektromonteur en meldde zich meerdere malen ziek met psychische en rugklachten. Het UWV had de WIA-uitkering per 3 oktober 2019 beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Limburg had dit besluit bevestigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij meer beperkingen had dan door het UWV aangenomen en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom zijn medische informatie niet tot een andere beoordeling leidde.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die een somatische symptoomstoornis vaststelde en een aanvullende beperking in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opnam. Desondanks concludeerden de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant de passende functies kon vervullen en de intrekking van de WIA-uitkering terecht was.
Appellant bleef van mening dat de diagnose depressieve stoornis onvoldoende was meegenomen, maar de Raad volgde de deskundige en het UWV. Ook de latere toekenning van een IVA-uitkering per 1 september 2022 veranderde niets aan de situatie per 3 oktober 2019. De Raad bevestigde de beëindiging van de WIA-uitkering.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de procedure onredelijk lang had geduurd, met een overschrijding van ongeveer 19 maanden, en kende een schadevergoeding van € 2.000,- toe. Het UWV en de Staat werden elk deels veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. Het griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 3 oktober 2019 wordt bevestigd en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.