ECLI:NL:CRVB:2025:305

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
24/2 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling maandelijkse tegemoetkoming kosten Canta

Appellante had op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO15) een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de kosten van een Canta, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na eerdere procedures leidde dit tot een schikking waarbij een maandelijkse tegemoetkoming van €93,75 werd vastgesteld, met de afspraak dat dit bedrag verhoogd zou worden bij verhoging van vervoersbudgetten.

Het college verhoogde het bedrag in 2020 naar €125,50 per maand, maar verrekening met reparatiekosten van een scootmobiel leidde ertoe dat appellante deze verhoging feitelijk pas in november 2021 ontving. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze verrekening gegrond en bepaalde dat het college alsnog een beslissing moest nemen over bijzondere bijstand.

Appellante ging in hoger beroep tegen het standpunt dat het verhoogde bedrag correct was vastgesteld, maar diende vlak voor de zitting nadere stukken in die buiten de termijn van artikel 8:58 Awb Pro vielen. De Raad liet deze stukken buiten beschouwing en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De schikking en de daarop gebaseerde verhoging van de tegemoetkoming zijn correct toegepast, en de overige gronden van appellante waren niet relevant voor de juistheid van het bedrag.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

24/2 WMO15
Datum uitspraak: 27 februari 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 december 2023, 22/72 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Schagen (college)
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of het college het bedrag voor de maandelijkse tegemoetkoming in de kosten van de Canta van appellante juist heeft vastgesteld. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit betekent dat appellante geen gelijk krijgt.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellante heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 januari 2025. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W.J. Poulie en S.A. van der Wiel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
In het verleden heeft appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO15) bij het college een aanvraag gedaan voor een gesloten buitenwagen (Canta). Het college heeft die aanvraag afgewezen. Appellante heeft rechtsmiddelen aangewend tegen die afwijzing. Dit heeft geleid tot een hoger beroep bij de Raad in zaak 16/6002 WMO15. Tijdens de behandeling ter zitting van die zaak zijn appellante en het college tot een schikking gekomen. Die schikking hield in dat appellante een bedrag van € 93,75 per maand krijgt als tegemoetkoming in de kosten van de door haarzelf aangeschafte Canta, dat zij aan het CAK een eigen bijdrage betaalt voor die tegemoetkoming en dat appellante haar hoger beroep intrekt. Nadien heeft appellante geprocedeerd over deze intrekking. Dit heeft geleid tot de uitspraken van de Raad van 11 april 2018 en 8 april 2022. [1]
1.2.
Met een besluit van 1 oktober 2020 heeft het college de tegemoetkoming van € 93,77 verhoogd naar € 125,50 per maand. Door verrekening met door het college voorgeschoten reparatiekosten voor de scootmobiel, ontvangt appellante de verhoging feitelijk pas per november 2021.
1.3.
Met een brief van 5 oktober 2021 heeft het college de bij de schikking gemaakte afspraken herhaald.
1.4.
Met een besluit van 18 november 2021 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 oktober 2020 ongegrond verklaard. Het bezwaar van appellante tegen de brief van 5 oktober 2021 is niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2020 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 1 oktober 2020 herroepen voor zover dit betrekking heeft op de verrekening van de nota voor de reparatie van de scootmobiel. De rechtbank heeft verder bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit en het college opgedragen om een beslissing te nemen over een aanvraag voor bijzondere bijstand, waarbij alsnog de reparatiekosten van de scootmobiel worden vergoed. De rechtbank heeft dus het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de verhoging van het bedrag van de maandelijkse tegemoetkoming, in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarbij het bedrag van de maandelijkse tegemoetkoming in stand is gelaten. Zij vindt dat zij recht heeft op een hoger bedrag. Hierbij heeft zij uitgebreid toegelicht dat zij zich niet kan vinden in de afspraken die bij de schikking zijn gemaakt.
Het standpunt van het college
3.2.
Het college heeft het incidenteel hoger beroep met zaaknummer 24/869 WMO15 ter zitting ingetrokken en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Appellante heeft bij e-mails van 14 en 16 januari 2025 nog (uitgebreid) gereageerd en heeft daarbij verschillende bijlagen meegezonden. Deze stukken zijn niet binnen de termijn van artikel 8:58, eerste lid van de Awb ingediend. Door de late indiening konden deze ter zitting niet inhoudelijk aan de orde komen en heeft het college daarover geen standpunt kunnen innemen. De goede procesorde verzet zich er dan ook tegen om deze stukken alsnog bij de beoordeling te betrekken. Niet valt in te zien dat appellante deze stukken niet eerder had kunnen indienen. De Raad laat de emails van 14 en 16 januari 2025 en de daarbij behorende bijlagen om die reden buiten beschouwing.
4.2.
De Raad beoordeelt vervolgens de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.3.
De Raad stelt vast dat in de onder 1.1. genoemde schikking is afgesproken dat het bedrag van de verstrekte tegemoetkoming wordt verhoogd als de (standaard)bedragen van de vervoersbudgetten worden verhoogd. Het college heeft in het bestreden besluit, ter uitvoering van deze in de schikking gemaakte afspraak, de tegemoetkoming verhoogd naar € 125,50 per maand. Uit wat appellante heeft aangevoerd blijkt niet dat het bedrag van de tegemoetkoming onjuist is vastgesteld. De overige gronden van appellante hebben geen betrekking op de juistheid van de verhoging van het bedrag van de maandelijkse tegemoetkoming en kunnen daarom niet leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit geen stand kan houden.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol