ECLI:NL:CRVB:2025:305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling maandelijkse tegemoetkoming kosten Canta
Appellante had op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO15) een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de kosten van een Canta, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na eerdere procedures leidde dit tot een schikking waarbij een maandelijkse tegemoetkoming van €93,75 werd vastgesteld, met de afspraak dat dit bedrag verhoogd zou worden bij verhoging van vervoersbudgetten.
Het college verhoogde het bedrag in 2020 naar €125,50 per maand, maar verrekening met reparatiekosten van een scootmobiel leidde ertoe dat appellante deze verhoging feitelijk pas in november 2021 ontving. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze verrekening gegrond en bepaalde dat het college alsnog een beslissing moest nemen over bijzondere bijstand.
Appellante ging in hoger beroep tegen het standpunt dat het verhoogde bedrag correct was vastgesteld, maar diende vlak voor de zitting nadere stukken in die buiten de termijn van artikel 8:58 Awb Pro vielen. De Raad liet deze stukken buiten beschouwing en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De schikking en de daarop gebaseerde verhoging van de tegemoetkoming zijn correct toegepast, en de overige gronden van appellante waren niet relevant voor de juistheid van het bedrag.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.