ECLI:NL:CRVB:2025:321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens niet naleven informatieplicht
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg op 29 november 2022 een individuele inkomenstoeslag aan. Het college voerde een heronderzoek uit vanwege een bedrijf dat appellant sinds januari 2022 op zijn naam had staan. Appellant verscheen niet op meerdere gesprekken en leverde de gevraagde documenten niet aan. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet. Tevens wees het college de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag af omdat appellant geen bewijs leverde van een laag inkomen in de referteperiode.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep stelde appellant dat het college de grondslag van de intrekking niet duidelijk had gemaakt en dat hem het verzuim niet kon worden verweten. Ook voerde hij aan dat bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid leidden en dat hij wel aan de voorwaarden voor de toeslag voldeed.
De Raad oordeelde dat het college de intrekking terecht baseerde op artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet en dat appellant het verzuim niet had hersteld noch aannemelijk had gemaakt dat hem dit niet kon worden verweten. De belangenafweging van het college was evenwichtig en het beleid correct toegepast. De aanvraag om een individuele inkomenstoeslag werd terecht afgewezen omdat appellant geen informatie over het bedrijf had verstrekt en daarmee zijn inkomen niet kon worden vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de toeslag in stand blijven. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag worden bevestigd.