Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds augustus 2015 bijstand. Voorafgaand daaraan hadden zij inkomsten uit een eigen onderneming. Op 12 september 2017 dienden zij een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag, die door het college werd afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld of zij in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een laag inkomen hadden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het fiscale inkomensbegrip gelijkgesteld kon worden met het inkomensbegrip in de Participatiewet en dat het college op basis van de Basisregistratie inkomen het inkomen had moeten vaststellen. Dit verweer werd verworpen omdat het fiscale inkomensbegrip niet gelijk is aan het inkomensbegrip in de Participatiewet.
Voorts stelde appellant dat hij een laag inkomen had in de referteperiode, onderbouwd met jaarrekeningen. Echter bleek uit een verklaring dat contante inkomsten niet waren verantwoord in de stukken, waardoor het inkomen niet volledig inzichtelijk was gemaakt. Ook het verwijt dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan werd verworpen omdat het op de appellant rustte aannemelijk te maken dat hij een laag inkomen had. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag.