Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat centraal of het UWV terecht uitvoering heeft gegeven aan een executoriaal derdenbeslag op de WIA-uitkering van appellant. Op 1 maart 2022 en 19 januari 2024 zijn derdenbeslagen gelegd door respectievelijk een zorgverzekeraar en een gerechtsdeurwaarder, waarbij beslagvrije voeten zijn vastgesteld en aangepast. Het UWV heeft de beslagvrije voet toegepast bij het inhouden van bedragen op de uitkering.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om het beslag uit te voeren, maar de rechtbank heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het UWV verplicht is het beslag uit te voeren en dat de bestuursrechter alleen kan toetsen of het UWV binnen het kader van het beslag is gebleven, niet de rechtmatigheid van het beslag zelf.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigd. De Raad benadrukt dat het UWV en de bestuursrechter niet bevoegd zijn om de geldigheid en omvang van het beslag te beoordelen. Het UWV heeft de beslagvrije voet correct toegepast en is binnen het kader van het beslag gebleven. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen en appellant krijgt het betaalde griffierecht niet terug.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitvoering van het derdenbeslag door het UWV blijft in stand.