ECLI:NL:CRVB:2022:992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding op AOW-pensioen bij derdenbeslag door Sociale Verzekeringsbank
Appellant is geconfronteerd met een executoriaal derdenbeslag op zijn AOW-pensioen wegens een schuld van €5.232,55 aan een derde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft op grond van dit beslag vanaf augustus 2019 maandelijks €74,69 ingehouden op het pensioen. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat het beslag frauduleus zou zijn en dat de Svb had moeten toetsen aan de geldigheid ervan.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat de Svb bij de inhouding uit moest gaan van de geldigheid van het beslag en de beslagvrije voet, en dat de geldigheid van het beslag een zaak is voor de burgerlijke rechter. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak en verwierp het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Raad benadrukte dat het bestuursorgaan niet bevoegd is om de geldigheid van het beslag te toetsen, maar slechts moet beoordelen of het binnen het kader van het beslag is gebleven. Appellant had niet betwist dat de Svb binnen dit kader handelde. De Raad concludeerde dat de inhouding terecht is vastgesteld en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding op het AOW-pensioen door de Svb wordt bevestigd.