ECLI:NL:CRVB:2025:379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum en intrekking van bijstand wegens onbewoonbaarheid hoofdverblijf
Appellant had een WIA-uitkering aangevraagd die op 12 maart 2020 werd afgewezen. Vervolgens meldde hij zich op 24 april 2020 bij het college voor bijstand, met als ingangsdatum 4 oktober 2019. Het college kende bijstand toe vanaf 24 april 2020 en trok deze later in omdat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres A, dat onbewoonbaar bleek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de ingangsdatum niet-ontvankelijk voor de periode tot 31 maart 2020 en wees het beroep verder af. Appellant stelde in hoger beroep dat hij zich eerder had gemeld en dat hij wel op adres A woonde. De Raad oordeelde dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt en bevestigde dat het huisbezoek en onderzoek aantonen dat adres A onbewoonbaar was en appellant daar niet woonde.
De Raad benadrukte dat de bewijslast voor intrekking bij het college ligt en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden. Ook het argument dat het huisbezoek vertraagd was door corona-protocollen werd verworpen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waardoor de bijstand met ingang van 24 april 2020 terecht werd toegekend en later terecht werd ingetrokken.
Uitkomst: De bijstand is terecht toegekend vanaf de meldingsdatum en terecht ingetrokken wegens het ontbreken van hoofdverblijf op het opgegeven adres.