ECLI:NL:CRVB:2025:388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens zelfstandige werkzaamheden en schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving vanaf 2017 bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college stelde vast dat hij gedurende deze periode werkzaamheden als zelfstandige verrichtte voor zijn eigen bedrijf, bedrijf X. Ondanks zijn stellingen dat hij deze werkzaamheden als vrijwilligerswerk zag en dat zijn accountant hem had geadviseerd, concludeerde het college dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan.
Na een uitgebreid onderzoek, waaronder gesprekken met appellant en zijn accountant, en het bestuderen van belastingaangiften en bankgegevens, trok het college de bijstand in en vorderde het de onterecht ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, wat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde om aan te tonen dat hij niet als zelfstandige werkte. De rol van de accountant doet niet af aan de verantwoordelijkheid van appellant om juiste informatie te verstrekken. Ook het strafrechtelijke vonnis tegen appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting maakte geen verschil in de bestuursrechtelijke beoordeling. De waarde van een op naam van appellant gestelde vrachtwagen speelde geen rol in het besluit.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en daardoor geen recht had op bijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bleven in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand.