ECLI:NL:CRVB:2025:429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toename ziektebeeld
Appellant heeft sinds 2011 klachten en vroeg een WIA-uitkering aan, die het UWV in 2013 weigerde vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat latere diagnoses zoals een incomplete dwarslaesie en tumor meer beperkingen veroorzaakten dan de oorspronkelijke hernia, en dat er sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2018.
De rechtbank oordeelde dat de klachten aan nek, schouders en armen pas later zijn ontstaan en dat er geen nieuwe feiten waren die een herziening van het besluit in 2013 rechtvaardigen. De medische stukken en rapporten van verzekeringsartsen ondersteunden dat de klachten in 2018 voortkwamen uit een andere ziekteoorzaak, namelijk een myelum afwijking, en niet uit dezelfde ziekteoorzaak als in 2013.
Appellant voerde in hoger beroep dezelfde argumenten aan en verzocht om benoeming van deskundigen, maar de Raad vond geen aanleiding voor een ander oordeel. De medische onderbouwing van het UWV werd onderschreven en het verzoek om deskundigen werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen toename uit dezelfde ziekteoorzaak.