In deze zaak staat centraal of het UWV terecht heeft vastgesteld dat de psychische beperkingen van appellant op 20 september 2017 niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de fysieke beperkingen waarop de wachttijdbeoordeling was gebaseerd. De Raad verwijst naar eerdere rechtspraak en een tussenuitspraak waarin werd geoordeeld dat het UWV het gebrek in het besluit moest herstellen.
Het UWV heeft na de tussenuitspraak rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep overgelegd, waarin werd gesteld dat de depressieve klachten van appellant multifactorieel zijn en niet direct terug te voeren zijn op de fysieke enkelproblematiek. De Raad constateert echter dat deze motivering onvoldoende is en onvoldoende rekening houdt met de specifieke situatie van appellant, die voor het ongeval geen psychische klachten had en waarbij de psychische klachten mogelijk geluxeerd zijn door de enkelproblemen.
De Raad oordeelt dat het UWV niet heeft aangetoond dat buiten twijfel staat dat de psychische beperkingen niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarom moet het UWV de psychische klachten betrekken bij de beoordeling, een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst opstellen en een nieuwe arbeidskundige beoordeling maken.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.