ECLI:NL:CRVB:2025:45

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2025
Publicatiedatum
10 januari 2025
Zaaknummer
23/1794 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij maatschappelijke opvang

Appellant ontving vanaf 2019 maatschappelijke opvang en beschermd wonen van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Na een incident werd hem door een opvanglocatie een intake geweigerd, hetgeen hij aanvocht met bezwaar en beroep.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant stelde dat de brief van weigering een besluit was en vorderde een schadevergoeding wegens het ontbreken van passende opvang.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat hij inmiddels zelfstandig woont en geen gebruik meer maakt van opvang. Bovendien kon appellant geen onderbouwing leveren voor zijn schadeclaim, waardoor het aannemelijk is dat hij geen schade heeft geleden.

Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en ziet af van een inhoudelijke beoordeling. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

23/1794 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 mei 2023, 22/2212 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (college)
Datum uitspraak: 9 januari 2025
SAMENVATTING
De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 oktober 2024. Voor appellant is mr. Sprakel verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Jarroudi en mr. B.E. Robbe.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft aan appellant, geboren in 1986, met ingang van 2 januari 2019 de maatwerkvoorziening opvang verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. In vervolg daarop heeft het college aan appellant vanaf 1 december 2019 de maatwerkvoorziening beschermd wonen verstrekt. In de periode dat voor appellant nog geen passende beschermd wonen locatie gevonden was, heeft appellant verbleven in tijdelijke opvanglocaties.
1.2.
Op 1 juni 2021 heeft appellant samen met mr. Sprakel de locatie [naam locatie] bezocht om te bespreken of dat een passende beschermd wonen locatie is voor appellant. Bij brief van 17 juni 2021 heeft het college aan appellant laten weten dat [naam locatie] heeft besloten om appellant niet uit te nodigen voor een intake bij [naam locatie] vanwege een incident na het kennismakingsgesprek op 1 juni 2021.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 17 juni 2021.
1.4.
Bij besluit van 16 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de brief van 17 juni 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is de brief van 17 juni 2021 een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Appellant heeft inmiddels een eigen woning en hij maakt geen gebruik meer van maatschappelijke opvang. Zijn procesbelang bestaat uit een nog in te dienen schadeclaim bij het college voor de periode waarover hij geen passende maatschappelijke opvang heeft ontvangen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [1]
4.2.
Appellant heeft inmiddels een zelfstandige woonruimte en maakt geen gebruik meer van maatschappelijke opvang of beschermd wonen. Dit betekent dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit niet meer van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat hij geen onderbouwing heeft en ook niet kan leveren voor zijn nog in te dienen verzoek om vergoeding van de volgens hem geleden immateriële schade. Daarmee is op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. Dit betekent dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, als voorzitter, en K.M.P. Jacobs en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) M. Dafir

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.