ECLI:NL:CRVB:2025:468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in januari 2021 en een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% vastgesteld door het Uwv. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies, waarop het Uwv de uitkering weigerde. Appellant voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, zijn beperkingen werden onderschat en de geselecteerde functies niet passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen en functies adequaat waren vastgesteld. Appellant betoogde in hoger beroep onder meer dat het onderzoek te kort duurde, zijn fibromyalgie en mentale klachten onvoldoende werden meegewogen, en dat de functies niet passend waren.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, met voldoende medische rapporten en een hoorzitting van 45 minuten. Er was geen aanleiding om het medisch oordeel te verwerpen of meer beperkingen aan te nemen. De arbeidsdeskundige had de functies passend gemotiveerd en appellant had geen overtuigend bewijs dat de belasting gelijk was aan vervallen functies. Het evenredigheidsbeginsel bood geen grond voor toewijzing.
De Raad zag geen schending van het beginsel van equality of arms, omdat appellant voldoende gelegenheid had medische stukken in te brengen en geen belemmeringen ondervond. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.