Appellante, geboren in 1931 en met lichamelijke beperkingen, ontving op grond van de WMO 2015 een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. Het college had voor de periode 1 september 2021 tot en met 31 augustus 2026 173 uur per jaar toegekend, gebaseerd op het HHM Normenkader 2019. Appellante maakte bezwaar tegen de omvang hiervan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en kende 211 uur per jaar toe, waarbij ook uren voor extra inzet en een extra kamer werden meegenomen. Appellante was het niet eens met deze uitspraak en ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de wasverzorging had gebaseerd op het HHM Normenkader 2019, omdat de normtijden voor wasverzorging niet objectief en deugdelijk waren vastgesteld.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de wasverzorging betrof en besloot zelf in de zaak te voorzien. Op basis van het door Bureau HHM herberekende en betrouwbaardere HHM Normenkader 2025 kent de Raad 72 uur huishoudelijke hulp per jaar toe voor wasverzorging. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.