ECLI:NL:CRVB:2025:5
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.I. van der Kris
- J.D. Streefkerk
- J.P. Loof
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillig ontslag
Appellante was sinds oktober 2021 in dienst bij haar werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die stilzwijgend werd verlengd. Zij nam op 28 juli 2022 vrijwillig ontslag met een korte opzegtermijn. Na een initiële toekenning van een WW-uitkering trok het Uwv deze in vanwege het niet aanleveren van verplichte formulieren. Een daaropvolgende aanvraag werd geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos was geworden.
De rechtbank oordeelde dat appellante andere wegen had kunnen bewandelen dan ontslag nemen, ondanks een verstoorde werkrelatie. Appellante voerde aan dat haar mentale klachten en de slechte werkrelatie haar ontslag noodzaakten, maar leverde hiervoor onvoldoende bewijs. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat ook in hoger beroep geen objectieve medische informatie of bewijs van onhoudbaarheid van de werksituatie is geleverd.
Het beroep van appellante op artikel 6 van Pro de Beleidsregels om de eerder toegekende WW-uitkering met terugwerkende kracht te hervatten, werd afgewezen omdat niet aan de voorwaarden voor betaling was voldaan. De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond, waardoor de weigering van de WW-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillig ontslag.