ECLI:NL:CRVB:2025:51
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verjaring bij nabetaling periodieke Wuv-uitkering afgewezen
Appellante ontvangt sinds 1987 een periodieke uitkering als vervolgde op grond van de Wuv. In 2012 is haar uitkering vastgesteld op 60% van de grondslag, maar dit percentage bleek een ambtelijke fout. In 2023 stelde verweerder de uitkering opnieuw vast met terugwerkende kracht tot 1 april 2018, waarbij hij zich beroept op een beleidsmatige terugwerkende kracht van vijf jaar en verjaring.
Appellante betoogt dat de fout vanaf 2012 hersteld moet worden en dat de terugwerkende kracht van vijf jaar onredelijk is. De Raad oordeelt dat financiële aanspraken op de overheid na vijf jaar verjaard zijn en dat de Wuv geen uitzondering vormt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die het beroep op verjaring onredelijk maken.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er toezeggingen zijn gedaan over het percentage van 60%. Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het beroep op verjaring wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.