ECLI:NL:CRVB:2025:523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending medewerkingsverplichting bij huisbezoek
Appellante ontving sinds 2009 bijstand en werd onderzocht nadat een melding binnenkwam over mogelijke woonfraude. Het college stelde vast dat het waterverbruik op het uitkeringsadres aanzienlijk hoger was dan gemiddeld voor een alleenstaande en voerde waarnemingen uit waarbij een voertuig met Pools kenteken regelmatig werd gezien. Tijdens een huisbezoek op 8 september 2022 werkte appellante onvoldoende mee doordat zij meerdere keren lades en kasten opende zonder eerst te zeggen wat daarin zat, ondanks herhaalde waarschuwingen. Hierdoor kon het college de woon- en leefsituatie niet vaststellen.
Het college trok de bijstand per 8 september 2022 in wegens onvoldoende medewerking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de intrekking in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij voldoende had meegewerkt en dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek. De Raad oordeelde dat de medewerkingsverplichting was geschonden en dat er wel degelijk een redelijke grond bestond, gebaseerd op het hoge waterverbruik, waarnemingen en tegenstrijdige verklaringen van appellante.
De Raad stelde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door het handelen van appellante en bevestigde de intrekking. Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 maart 2025.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens onvoldoende medewerking aan het huisbezoek blijft in stand.