Appellante, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), ontving een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor. Ondanks waarschuwingen declareerde zij stelselmatig meer dan veertig uur per week per zorgverlener, wat in strijd is met de Regeling langdurige zorg (Rlz). Het zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat het zorgkantoor via de Sociale verzekeringsbank (Svb) een ondeugdelijke controle voorafgaand aan betalingen heeft uitgevoerd. De Svb had eenvoudig kunnen constateren dat de declaraties de toegestane uren overschreden, maar dit niet gedaan.
Hierdoor mag het zorgkantoor de gevolgen van deze gebrekkige controle niet volledig afwentelen op appellante. De Raad acht het redelijk dat appellante slechts voor de helft verantwoordelijk wordt gehouden. Het pgb wordt daarom vastgesteld op € 73.973,44 en de terugvordering op € 1.920,-. Tevens veroordeelt de Raad het zorgkantoor tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.