Appellant, geboren in 1976 en met een persoonlijkheidsstoornis, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden om een vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015. Na eerdere procedures en een persoonsgebonden budget voor de periode 2007-2020, weigerde het college in november 2021 een nieuwe voorziening omdat appellant niet kon aantonen dat hij een vervoersbehoefte had binnen 25 km en omdat hij gebruik kon maken van een auto uit zijn sociale netwerk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat appellant de vervoerskosten zelf moest dragen en dat er geen compensatieplicht bestond voor bovenregionaal vervoer. Ook werd het vertrouwensbeginsel niet geschonden omdat geen toezeggingen waren gedaan.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn vervoersbehoefte hoger was, dat het college een stappenplan uit 2010 had moeten volgen, dat maatwerk vereist was en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd en dat hij in de relevante periode zelf in zijn vervoersbehoefte had voorzien met een auto uit zijn sociale netwerk.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college om geen vervoersvoorziening toe te kennen. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.