ECLI:NL:CRVB:2025:610

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
25/340 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening Wajong-uitkeringszaak wegens ontbreken nieuwe feiten

In deze zaak heeft verzoeker verzocht om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2024, waarin werd geoordeeld dat het UWV terecht had geweigerd om de Wajong-uitkering per 5 juni 2018 te herleven. Verzoeker stelde dat zijn vrijheid vanaf die datum niet rechtmatig was ontnomen, maar dit standpunt werd niet gevolgd.

Na afwijzing van het eerste herzieningsverzoek op 5 februari 2025, diende verzoeker opnieuw een verzoek in, waarbij hij tevens betoogde dat de behandeling door dezelfde raadsheer onjuist was en dat er sprake was van meineed en schending van bestuursrechtelijke beginselen. De Raad oordeelde dat het herzieningsverzoek niet kon worden ingewilligd omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aan de strenge voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro voldeden.

De Raad benadrukte dat het middel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de uitspraak, maar alleen voor gevallen waarin nieuwe feiten of omstandigheden tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Het verzoek om herziening, het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek om schadevergoeding werden afgewezen. Verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over de herleving van de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

25/340 WAJONG, 25/344 WAJONG-VV
Datum uitspraak: 23 april 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 in Pro verbinding met artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2024, 23/3262 WAJONG, en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb
Partijen:
[verzoeker] te Peru (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2024, 23/3262 WAJONG en gevraagd om schadevergoeding.
Verzoeker heeft daarnaast een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 22 februari 2024 [1] .
2.1.
Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, stond de vraag centraal of het Uwv terecht had geweigerd om terug te komen van zijn besluit van 2 april 2019, waarbij de eerder in verband met voorlopige hechtenis beëindigde uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) van verzoeker vanaf 27 maart 2019 is herleefd. Volgens verzoeker had deze uitkering per 5 juni 2018 moeten herleven, omdat hem vanaf deze datum niet rechtmatig zijn vrijheid was ontnomen. De Raad heeft dit standpunt niet gevolgd.
2.2.
Bij uitspraak van 5 februari 2025 [2] heeft de Raad het verzoek om herziening van de uitspraak van 22 februari 2024 afgewezen.
3. Verzoeker heeft op 11 februari 2025 opnieuw gevraagd om herziening van de uitspraak van 22 februari 2024. Volgens verzoeker is zijn vorige verzoek om herziening ten onrechte beoordeeld door dezelfde raadsheer. Appellant heeft gesteld dat hij inmiddels meerdere klachten tegen deze raadsheer heeft ingediend en heeft verzocht om behandeling van dit verzoek door een andere rechter. Appellant heeft verder aangevoerd dat de behandelend raadsheer gerechtelijk en wettig bewijs en het standpunt van verzoeker niet heeft meegewogen en heeft geoordeeld in strijd met artikel 8:69 van Pro de Awb en meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meineed heeft gepleegd. Verder heeft verzoeker dezelfde stukken ingediend als de stukken die hij bij zijn vorige verzoek om herziening heeft overgelegd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak [3] is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
4.3.
Net als bij zijn vorige verzoek om herziening, heeft verzoeker in zijn verzoek geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 22 februari 2024 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Met wat verzoeker aan zijn verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, beoogt hij in feite een hernieuwde discussie te voeren over de herleving van zijn Wajong-uitkering per eerdere datum dan per 27 maart 2019 en de uitspraak van de Raad van 22 februari 2024. Uit wat in 4.2 is overwogen, volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld. Wat verzoeker overigens heeft aangevoerd, onder meer over de gestelde gepleegde meineed, is daarnaast, net als het geval was bij zijn vorige verzoek om herziening, in het geheel niet onderbouwd. Het verzoek om herziening is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat niet van de uitspraak van de Raad van 22 februari 2024 wordt teruggekomen. Omdat het verzoek om herziening wordt afgewezen, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking. Gelet hierop zal het verzoek om schadevergoeding eveneens worden afgewezen.
6. Omdat het verzoek om herziening wordt afgewezen, krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten en griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om herziening af;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van A.K.F. Ouwehand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) A.K.F. Ouwehand
Tegen deze uitspraak op het verzoek om herziening kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Voetnoten

1.CRvB 22 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:354.
2.CRvB 5 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:201.
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257.