ECLI:NL:CRVB:2025:616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J. Janssen
- K.M.P. Jacobs
- B. Serno
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget op grond van niet-naleving verplichtingen
Appellante, met een verstandelijke beperking, was geïndiceerd voor zorg via de Wet langdurige zorg (Wlz) en ontving eerder een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2016-2018. Na strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke pgb-fraude bij een zorgverlener trok het zorgkantoor het pgb voor die jaren in en vorderde onverschuldigde betalingen terug. Na bezwaar en schikking werd het pgb voor 2016 deels hersteld, maar voor 2017 en 2018 lager vastgesteld.
In 2020 wees het zorgkantoor een nieuwe pgb-aanvraag af vanwege niet-naleving van pgb-verplichtingen door appellante. Dit besluit werd gehandhaafd, waarna het zorgkantoor in 2023 een nieuwe beslissing nam waarin de aanvraag voor de periode 2020-2022 werd afgewezen. Appellante stelde dat zij zelf geen verwijt treft, dat zij afhankelijk is van zorg en dat misbruik door een zorgverlener heeft plaatsgevonden.
De Raad oordeelde dat het zorgkantoor terecht het pgb heeft geweigerd op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, omdat appellante eerder niet aan de verplichtingen voldeed. Het ontbreken van een bewuste-keuze-gesprek werd erkend, maar appellante kreeg voldoende gelegenheid haar omstandigheden toe te lichten. De Raad vond geen reden om het besluit te vernietigen en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag voor een persoonsgebonden budget over de periode 2020-2022 wordt afgewezen wegens eerdere niet-naleving van pgb-verplichtingen.