ECLI:NL:CRVB:2025:630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens beschikking over nalatenschap
Appellant ontving sinds 2016 bijstand en kreeg in 2022 een bedrag uit de nalatenschap van zijn moeder nadat ook zijn vader was overleden. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde de gemaakte kosten van bijstand terug over de periode 2016-2022, omdat appellant beschikte over naderhand verkregen middelen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de terugvordering in stand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de erfenis geen in aanmerking te nemen middel zou zijn en dat het college geen zelfstandige terugvorderingsgrond heeft. Ook stelde hij dat de terugvordering onevenredig nadelige gevolgen voor hem had. De Raad oordeelde dat het begrip middelen ruim is en ook gelden uit een nalatenschap omvat. De terugvordering is een zelfstandig besluit en hoeft niet voorafgegaan te worden door intrekking van de bijstand.
De Raad vond dat appellant onvoldoende onderbouwde dat de terugvordering onevenredig nadelige gevolgen heeft, mede gelet op zijn financiële situatie en de getroffen afbetalingsregeling. De belangenafweging was zorgvuldig en het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden. Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering bleef in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstandskosten wegens beschikking over nalatenschap blijft in stand.