ECLI:NL:CRVB:2025:683
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, waarna het hoger beroep werd ingetrokken. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek van appellante om het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en de Staat tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad stelde vast dat het UWV redelijkerwijs de proceskosten van appellante moest vergoeden, waaronder kosten voor rechtsbijstand en de verzekeringsarts. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de totale procedure bijna zes jaar had geduurd terwijl de redelijke termijn maximaal vier jaar bedraagt.
De Raad wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente toe en bepaalde dat de Staat ook de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding moest vergoeden. De uitspraak werd gedaan door M.E. Fortuin en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2025.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, griffierecht en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.