Uitspraak
6 december 2022, 21/2034 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Centrale Raad van Beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing genomen waarbij appellante alsnog per 13 januari 2021 een IVA-uitkering werd toegekend, waarmee het UWV volledig aan de bezwaren tegemoetkwam.
Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente. De Raad oordeelde dat het verzoek tot intrekking conform artikel 8:75a Awb toewijsbaar was en dat het UWV de wettelijke rente van €1.278,97, waarvan reeds €399,47 was betaald, moest voldoen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief griffierecht, kosten voor rechtsbijstand in bezwaar en hoger beroep, en kosten voor ingeschakelde deskundigen. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €5.302,31. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 mei 2025.
Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten na volledige tegemoetkoming aan appellante.