AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning bijstand en proceskostenvergoeding na bezwaar en beroep
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet. Het college kende bijstand toe met ingang van 28 januari 2022, maar appellant verzocht om bijstand vanaf een eerdere datum vanwege eerdere aanvragen en zijn kwetsbare positie als recent in Nederland verblijvende persoon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat eerdere aanvragen geen bijzondere omstandigheden vormen om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en verwijst naar artikel 44 vanPro de Participatiewet en vaste jurisprudentie.
Wel oordeelt de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende aan appellant, aangezien het college te laat op het bezwaar had beslist en de maximale dwangsom erkende. De Raad vernietigt dit deel van de uitspraak en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend, maar appellant krijgt proceskostenvergoeding wegens te late beslissing op bezwaar.
Uitspraak
24.59 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 december 2023, 23/394 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college)
Datum uitspraak: 15 april 2025
Zitting hebben: K.M.P. Jacobs
Griffier: A.M.J. van Erkel
Appellant en mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat, hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. I. Aydogan.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank geen proceskostenvergoeding heeft toegekend;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.814,-;
bepaalt dat het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 188,- vergoedt.
Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
Met een besluit van 23 juni 2022 heeft het college aan appellant per 28 januari 2022 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) toegekend. Na het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, waarbij appellant heeft verzocht om toekenning van een dwangsom, heeft het college op 16 februari 2023 op het bezwaar van appellant beslist.
De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 16 februari 2023 ongegrond verklaard.
Appellant heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand vanaf een eerdere datum toe te kennen. Appellant heeft namelijk al eerder bijstandsaanvragen ingediend. Appellant verkeerde in een kwetsbare positie en was pas sinds kort in Nederland.
Verder heeft het college appellant geadviseerd om nieuwe aanvragen in te dienen in plaats van bezwaar te maken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). [1]
Dat appellant eerder twee aanvragen heeft ingediend, levert geen bijzondere omstandigheid op om bij de beslissing op déze aanvraag vanaf die eerdere datum bijstand toe te kennen. Het college heeft op de eerdere aanvragen beslist met besluiten van 29 maart 2021, 22 oktober 2021 en een beslissing op bezwaar van 8 juni 2022. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Dat appellant op advies van het college geen rechtsmiddelen heeft aangewend is niet gebleken.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.
Deze beroepsgrond slaagt. Eerst tijdens de behandeling ter zitting bij de rechtbank heeft het college erkend de maximale dwangsom verschuldigd te zijn, omdat te laat op het bezwaar is beslist. De rechtbank had hierin aanleiding moeten zien om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. In zoverre vernietigt de Raad de aangevallen uitspraak. De Raad kent proceskosten toe voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting, in beroep en hoger beroep, in totaal vier punten met een wegingsfactor van 0,5. Ook moet het college het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden aan appellant.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M.J. van Erkel (getekend) K.M.P. Jacobs