ECLI:NL:CRVB:2025:806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was op de beoordelingsmomenten medio 2018, 1 oktober 2018 en 15 november 2021. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de medische beoordeling.
Appellante stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was en rolstoelafhankelijk sinds 2019, maar kon dit niet met voldoende medische stukken onderbouwen. Ook haar stelling dat therapieën tot een urenbeperking leiden, werd niet aannemelijk gemaakt. De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de medische beperkingen niet zodanig zijn dat een WIA-uitkering toegekend moet worden.
De Raad heeft het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding om een deskundige te benoemen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.