ECLI:NL:CRVB:2025:818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
28 mei 2025
Zaaknummer
24/1415 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging maatwerkvoorziening beschermd wonen

Appellant had een maatwerkvoorziening beschermd wonen ontvangen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze zorg in natura werd verstrekt vanaf april 2020, maar werd eenzijdig beëindigd door de opvanglocatie in september 2021. Het college bood daarna verschillende opvangplekken aan, waaronder een hotel, waarvan de opvang in maart 2022 werd beëindigd. Vervolgens beëindigde het college in juli 2022 ook de maatwerkvoorziening beschermd wonen omdat appellant geen gebruik maakte van de voorzieningen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden door het college ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond en hield de besluiten in stand. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die ambtshalve oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dit omdat appellant inmiddels een zelfstandige woonruimte heeft en geen gebruik meer maakt van beschermd wonen of maatschappelijke opvang, waardoor een inhoudelijk oordeel niet van belang is voor een toekomstige periode.

Appellant stelde immateriële schade te hebben geleden wegens het ontbreken van passende opvang, wat volgens hem een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt. De Raad vond echter dat appellant geen begin van bewijs had geleverd voor het ontstaan van schade, zodat het op voorhand onaannemelijk was dat schade was geleden. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd appellant geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

24/1415 WMO15, 24/1416 WMO15
Datum uitspraak: 28 mei 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2024, 23/1433 en 23/1440 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)
SAMENVATTING
De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak gelijktijdig behandeld met de zaken 22/2002 BESLU, 23/2063 WMO15 en 23/1378 WMO15 van appellant op een zitting van 3 april 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Ferwerda en B.E. Robbe.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 1 april 2020 heeft het college aan appellant een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verstrekt in de vorm van zorg in natura. Appellant heeft tot 29 september 2021 verbleven bij een opvanglocatie van het Leger des Heils. Met ingang van 1 oktober 2021 is de zorg eenzijdig beëindigd door het Leger des Heils. Het college heeft appellant daarna op verschillende plekken opvang geboden, waaronder in het [naam hotel] in [plaatsnaam].
24/1416
1.2.
Het college heeft de opvang van appellant bij het [naam hotel] met ingang van 31 maart 2022 beëindigd bij besluit van die zelfde datum. Bij besluit van 11 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
24/1415
1.3.
Bij besluit van 14 juli 2022 heeft het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen met ingang van 15 juli 2022 beëindigd, omdat appellant geen gebruik maakt van de geboden voorzieningen. Aan appellant is voor de periode van 15 juli 2022 tot 15 augustus 2022 een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang met trajectbegeleiding verstrekt. Bij besluit van 11 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat dat niet het geval is en dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is.
4.1.
De Raad heeft eerder overwogen dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [1]
4.2.
Appellant heeft inmiddels een zelfstandige woonruimte en maakt geen gebruik meer van beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Dit betekent dat een inhoudelijk oordeel over de bestreden besluiten niet meer van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Ter zitting van de Raad is gesteld dat appellant immateriële schade heeft geleden omdat hij geen passende opvang geboden heeft gekregen en daarom in een gebrekkige caravan moest verblijven. Volgens appellant is daarmee sprake van een inbreuk op artikel 3 van Pro het EVRM. [2] Een begin van bewijs voor het ontstaan van schade volgens de hier aan te leggen maatstaf, [3] heeft appellant echter niet geleverd. Daarom is op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. Dit betekent dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en K.H. Sanders en D.A. Verburg als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) S. Ploum

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:887.
2.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1963, punt 4.4.