ECLI:NL:CRVB:2025:818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging maatwerkvoorziening beschermd wonen
Appellant had een maatwerkvoorziening beschermd wonen ontvangen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze zorg in natura werd verstrekt vanaf april 2020, maar werd eenzijdig beëindigd door de opvanglocatie in september 2021. Het college bood daarna verschillende opvangplekken aan, waaronder een hotel, waarvan de opvang in maart 2022 werd beëindigd. Vervolgens beëindigde het college in juli 2022 ook de maatwerkvoorziening beschermd wonen omdat appellant geen gebruik maakte van de voorzieningen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden door het college ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond en hield de besluiten in stand. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die ambtshalve oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dit omdat appellant inmiddels een zelfstandige woonruimte heeft en geen gebruik meer maakt van beschermd wonen of maatschappelijke opvang, waardoor een inhoudelijk oordeel niet van belang is voor een toekomstige periode.
Appellant stelde immateriële schade te hebben geleden wegens het ontbreken van passende opvang, wat volgens hem een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt. De Raad vond echter dat appellant geen begin van bewijs had geleverd voor het ontstaan van schade, zodat het op voorhand onaannemelijk was dat schade was geleden. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd appellant geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.