ECLI:NL:CRVB:2025:855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag vanwege studiefinanciering bij studie in Nederland
Appellant, geboren in Egypte en sinds 2021 woonachtig in Nederland, volgt een Mechanical Engineering opleiding aan een universiteit in Duitsland. Hij vroeg bijstand aan, die aanvankelijk werd toegekend tot 1 september 2022. Daarna werd de bijstand beëindigd omdat appellant in Nederland een vergelijkbare opleiding kan volgen en aanspraak kan maken op studiefinanciering.
Appellant diende een nieuwe aanvraag in die werd afgewezen op grond van artikel 13 lid 2 onder Pro c onderdeel 1 van de Participatiewet, omdat hij jonger is dan 27 jaar en onderwijs kan volgen dat uit Rijkskas wordt bekostigd. Appellant voerde aan dat het onevenredig is om van hem te verlangen zijn studie in Duitsland te staken en in Nederland te studeren, en dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn belangen beschermt.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het onevenredig is om in Nederland te studeren, dat de opleiding in Nederland goed staat aangeschreven en dat er geen belemmeringen zijn. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de gebonden bevoegdheid rechtvaardigen. Ook het beroep op rechtszekerheid en vertrouwen faalt omdat geen onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan.
Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald. De afwijzing van de aanvraag om bijstand blijft in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant in Nederland onderwijs kan volgen met studiefinanciering.