ECLI:NL:CRVB:2025:861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellante diende een aanvraag om bijstand in als alleenstaande, stellende dat zij duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot die naar Turkije was geëmigreerd. Het college wees de aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de eis van duurzaam gescheiden leven, waardoor zij geen zelfstandig subject van bijstand was.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het feit dat appellante en haar echtgenoot niet meer samenwoonden, er geen sprake was van een duurzame gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, aangezien appellante geen intentie had tot echtscheiding en er regelmatig contact was. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het ontbreken van gezamenlijk hoofdverblijf niet automatisch duurzaam gescheiden leven betekent. De feitelijke situatie, waaronder het contact tussen partijen en het gezamenlijke ontvangen van AOW-uitkering als gehuwden, wees op het voortbestaan van de echtelijke samenleving.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en bleef de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellante niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot.