ECLI:NL:CRVB:2025:899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang na nieuwe beslissing UWV
Appellante, een onderwijsinstelling, had bezwaar gemaakt tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen bij een zieke werknemer. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de loonsanctie. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Tijdens het hoger beroep nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar waarin het bezwaar van appellante alsnog werd gehonoreerd en de loonsanctie werd ingetrokken. Het UWV erkende tevens aansprakelijkheid voor eventuele schade en vergoedde gemaakte kosten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante door deze nieuwe beslissing geen belang meer had bij het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, omdat het gewenste resultaat reeds was bereikt. Het principiële belang van de onderwijsbranche bij vernietiging van de eerdere uitspraak was onvoldoende voor procesbelang.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellante.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na nieuwe beslissing UWV.