ECLI:NL:CRVB:2025:945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens niet-noodzakelijke verhuizing
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en woonden in een seniorencomplex. Na meldingen van overlast bood de woningcorporatie uit coulance een eengezinswoning aan, die appellanten accepteerden. Zij vroegen bijzondere bijstand aan voor stofferings-, inrichtings- en verhuiskosten, maar het college wees deze aanvragen af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en liet de besluiten in stand. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij uit angst voor huisuitzetting gedwongen waren te verhuizen en dat de kosten daarom noodzakelijk waren. De Raad oordeelde echter dat de stukken geen objectieve aanwijzingen bevatten voor een dreigende huisuitzetting en dat appellanten al langere tijd de wens hadden te verhuizen.
De Raad concludeerde dat de verhuizing niet noodzakelijk was in de zin van artikel 35 van Pro de Participatiewet en dat de kosten daarom niet als noodzakelijke kosten konden worden aangemerkt. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand. Appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt bevestigd omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.