Appellant, bekend met een taalontwikkelingsstoornis en ADHD, vroeg bij het college een voorziening voor jeugdhulp aan in de vorm van begeleiding door zijn moeder via een persoonsgebonden budget (pgb). Het college wees deze aanvraag in juni 2021 af en handhaafde dit besluit in maart 2022. De rechtbank vernietigde dit besluit in september 2022 wegens onvoldoende onderzoek naar de aard en omvang van de benodigde hulp en de toereikendheid van eigen mogelijkheden.
Het college vroeg vervolgens om aanvullende informatie over de zorg die de moeder verleent, waarop appellant reageerde met een overzicht van de hulpuren en financiële situatie. Desondanks handhaafde het college in december 2022 het besluit en kwalificeerde de hulp van de moeder als gebruikelijke zorg, gebaseerd op gemeentelijke richtlijnen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en niet duidelijk heeft gemotiveerd waarom de hulp als gebruikelijke zorg moet worden gezien, terwijl appellant onder verwijzing naar de richtlijnen stelde dat er sprake is van bovengebruikelijke hulp.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt bepaald dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten van appellant.