ECLI:NL:CRVB:2026:119

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/3400 POL
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Besluit bezoldiging politieBesluit algemene rechtspositie politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige toewijzing seniorfunctie onder voorwaarde afronding overgangstraject

Appellant, werkzaam als n3-generalist bij de politie, solliciteerde op een seniorfunctie. De korpschef wees de seniorvacature voorlopig aan hem toe onder de voorwaarde dat hij binnen een jaar het overgangstraject succesvol afrondt. Tijdens dit traject mocht appellant al werkzaamheden van de seniorfunctie verrichten, maar benoeming volgde pas na afronding.

Appellant maakte bezwaar tegen de voorwaardelijke benoeming en wilde per 3 december 2022 direct benoemd worden. De korpschef verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat het overgangsbeleid een voorlopige toewijzing toestaat, waarbij benoeming pas na afronding van het traject plaatsvindt.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant het overgangstraject op 4 april 2023 succesvol afrondde en vanaf die datum benoemd werd. Het betoog dat appellant eerder benoemd had moeten worden, faalde omdat het overgangstraject de benoemingsvoorwaarde is. Ook het verrichten van seniorwerkzaamheden tijdens het traject leidde niet tot eerdere benoeming.

De Raad wees het hoger beroep af en liet het bestreden besluit in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt dat voorlopige toewijzing onder voorwaarden binnen het overgangsbeleid rechtmatig is.

Uitkomst: De voorlopige toewijzing van de seniorfunctie onder de voorwaarde van afronding van het overgangstraject wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2023, 23/1862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Korpschef van Politie (korpschef)
Datum uitspraak: 22 januari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een voorlopige en voorwaardelijke toewijzing van een seniorvacature na een sollicitatie. Appellant heeft als n3-generalist gesolliciteerd op een seniorfunctie. De korpschef heeft conform het overgangsbeleid de seniorvacature voorlopig aan appellant toegewezen onder de voorwaarde van het binnen een jaar behalen van een overgangstraject. Bij de voorlopige toewijzing is gelet op het overgangsbeleid terecht vermeld dat de benoeming in de seniorfunctie pas plaatsvindt nadat het overgangstraject met succes is afgerond. De omstandigheid dat appellant de werkzaamheden van de seniorfunctie gedurende het overgangstraject al is gaan verrichten, maakt niet dat appellant tegen een eerdere datum benoemd kan worden in de seniorfunctie.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Voor appellant is mr. Kromhout verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Boelens-Ten Seldam en H.E. Boekhout.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant werkt bij de politie. Hij is met ingang van [datum] 2015 geplaatst in de functie van Generalist GGP.
1.2.
In het Arbeidsvoorwaardenakkoord Sector Politie 2018-2020 zijn afspraken gemaakt over het loopbaanpad voor degenen die vanaf 1 januari 2021 de basispolitieopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) gaan volgen en het diploma van de basispolitieopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) hebben behaald. Ook zijn afspraken gemaakt over overgangsbeleid voor het zittend personeel. De wijze waarop dit overgangsbeleid vorm en inhoud krijgt, is vastgelegd in de ‘Beleidsregel Overgangsbeleid Loopbaanpad na afronding basisopleiding Allround Politiemedewerker (mbo4)’ (overgangsbeleid).
1.3.
Het overgangsbeleid heeft ten doel om zittende generalisten met het diploma van de basisopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) de mogelijkheid te bieden om aangesteld te worden in een seniorfunctie. Zij krijgen eenmalig gedurende een nader te bepalen termijn de mogelijkheid om te laten weten dat zij in aanmerking willen komen voor aanstelling in een seniorfunctie op basis van de beleidsregel.
1.3.1.
Het overgangsbeleid voorziet erin dat in de periode tot en met 2032 landelijk ieder jaar een jaarlijks vast te stellen aantal ‘n4-generalisten’, in volgorde van meeste politiedienstjaren, wordt aangesteld in een seniorfunctie in het eigen vakgebied, werkterrein en team. Er wordt een landelijke lijst gemaakt op volgorde van meeste politiedienstjaren. Ook ‘n3-generalisten’ kunnen zich aanmelden voor het overgangsbeleid. Voor deze generalisten geldt dat zij een ‘Overgangstraject n3-generalist’ (overgangstraject) moeten behalen, voordat zij worden toegevoegd aan de landelijke lijst van n4-generalisten.
1.3.2.
Uit het overgangsbeleid volgt ook dat aangemelde n4-generalisten en n3generalisten voorrang hebben bij ontstane en opengestelde vacatures voor een seniorfunctie. In het overgangsbeleid (onder 5.3) zijn nadere regels vastgelegd over de vacaturevervulling en toewijzing. Als een aangemelde n3-generalist de meest geschikte kandidaat blijkt te zijn, dan wordt de seniorvacature voorlopig aan hem of haar toegewezen voor maximaal één jaar onder de voorwaarde dat betrokkene in dit jaar het overgangstraject met succes moet afronden om aangesteld te kunnen worden in de seniorfunctie. [1]
1.4.
Appellant valt onder de doelgroep van de n3-generalist. Hij heeft gesolliciteerd op een vacature van Senior GGP (wijkagent digitaal) bij het Basisteam [naam Basisteam] .
1.5.
Met een besluit van 4 november 2022 heeft de korpschef appellant geselecteerd als meest geschikte kandidaat voor de vacature van Senior GGP. Hierbij is vermeld dat appellant binnen een jaar eerst het overgangstraject moet afronden, voordat hij tot senior wordt benoemd. Het overgangstraject start op 3 december 2022. Hij kan tijdens het overgangstraject wel alvast beginnen met het verrichten van werkzaamheden als senior in het team waar hij heeft gesolliciteerd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij per 3 december 2022 benoemd wil worden tot senior en niet pas ná afronding van het overgangstraject.
1.6.
Bij besluit van 8 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen. De vacature voor de seniorfunctie is aan appellant toegewezen overeenkomstig het overgangsbeleid. Uit dit beleid volgt niet dat appellant al tijdens het overgangsbeleid moet worden aangesteld als senior. Pas als het overgangstraject is afgerond volgt benoeming tot senior. De rechtbank ziet niet in dat ingevolge het Besluit algemene rechtspositie politie het voorlopig en onder voorwaarde toewijzen van de vacature niet is toegestaan. Ook handelt de korpschef niet in strijd met artikel 6 van Pro het Besluit bezoldiging politie. Appellant is met het bestreden besluit nog steeds aangesteld als n3-generalist en krijgt daarmee het salaris dat bij zijn aanstelling hoort. De rechtspraak waar appellant naar verwijst, is naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing op de situatie van appellant. Uit deze rechtspraak volgt dat een ambtenaar die in een bepaalde functie is aangenomen niet in een aanloopschaal mag worden geplaatst bij het niet beschikken over de vereiste diploma’s. Appellant is echter nog niet aangenomen als senior. De omstandigheid dat appellant het overgangstraject mogelijk sneller had kunnen afronden en (een deel van) de werkzaamheden behorend bij zijn nieuwe functie al verricht, waarbij hij door de unieke aard van zijn functie minder begeleiding krijgt, maakt het bestreden besluit niet onrechtmatig.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep zich grotendeels beperkt tot het herhalen van de in beroep aangevoerde gronden. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt daar het volgende aan toe.
4.2.
Het gaat hier om een voorlopige toewijzing van de seniorvacature aan appellant onder de voorwaarde dat het overgangstraject binnen een jaar wordt behaald. Bij de voorlopige toewijzing heeft de korpschef terecht vermeld dat de benoeming in de seniorfunctie pas plaatsvindt nadat het overgangstraject met succes is afgerond. Dit besluit is in overeenstemming met wat in het overgangsbeleid onder 5.3 is vermeld met betrekking tot de vacaturevervulling van de seniorfuncties in relatie tot de n3-generalist. Vaststaat dat appellant op 4 april 2023 het overgangstraject met succes heeft afgerond. Hij is daarom met ingang van die datum benoemd in de seniorfunctie. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant eerder benoemd had moeten worden in de seniorfunctie.
4.3.
Het betoog van appellant dat hij in opdracht van de korpschef per 3 december 2022 de seniorfunctie volledig heeft uitgevoerd en dat hij daarvoor beloond moet worden, slaagt niet. Aan appellant is gelet op het besluit van 4 november 2022 alleen de mogelijkheid geboden om gedurende het overgangstraject alvast te beginnen met de werkzaamheden behorend bij de seniorfunctie. Niet is gebleken dat aan appellant is opgedragen om de seniorfunctie alvast te vervullen. De korpschef heeft dit ook betwist. Uit de door appellant overgelegde verklaring van zijn direct leidinggevende kan niet worden afgeleid dat sprake was van opgedragen werkzaamheden. Zelfs als hiervan wél sprake zou zijn, zou dit echter niet tot een eerdere benoeming tot senior hebben geleid. Appellant zou immers ook onder die omstandigheid nog niet hebben voldaan aan de voorwaarde om benoemd te worden in de seniorfunctie, namelijk het met succes behalen van het overgangstraject.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) H. de Brabander

Voetnoten

1.Stcrt. 2021, nr. 39353, p.3.