ECLI:NL:CRVB:2026:125

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
24/1886 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:100 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning wettelijke rente en proceskosten bij niet-tijdige toekenning individuele inkomenstoeslag

Appellant ontving bijstand en vroeg een individuele inkomenstoeslag aan, die aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar keerde het college de toeslag alsnog uit, maar verstrekte het besluit te laat. Appellant stelde het college in gebreke en vroeg een dwangsom toe te kennen wegens deze vertraging. Het college weigerde aanvankelijk, maar kende later alsnog een dwangsom toe.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk en oordeelde dat geen dwangsom verschuldigd was voor het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen het dwangsombesluit. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op zijn verzoek om wettelijke rente en vergoeding van griffierecht en reiskosten.

De Raad oordeelde dat appellant gelijk had en dat het college wettelijke rente moest betalen over de dwangsom vanaf het moment dat de betaling had moeten plaatsvinden. Ook veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep tegen de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen het dwangsombesluit werd verworpen, conform vaste rechtspraak.

De aangevallen uitspraak werd vernietigd voor zover niet was beslist op het verzoek om schadevergoeding, en bevestigd voor het overige. De Raad bepaalde dat de wettelijke rente jaarlijks wordt vermeerderd met de verschuldigde rente totdat volledige betaling heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de dwangsom en vergoeding van proceskosten en griffierecht, terwijl het beroep tegen de dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar wordt verworpen.

Uitspraak

24/1886 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2024, 22/7552 en 23/4375 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
Datum uitspraak: 27 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op een verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over een na een ingebrekestelling aan hem toegekende dwangsom. Ook had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van griffierecht en reiskosten. Hierin krijgt appellant gelijk. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college een dwangsom, inclusief wettelijke rente, verschuldigd was omdat het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen het naar aanleiding van de ingebrekestelling genomen dwangsombesluit. Hierin krijgt appellant geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
De Raad heeft partijen met een regiebrief van 9 juli 2025 laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en partijen meegedeeld dat het dossier voldoende informatie bevat om zonder zitting tot een uitspraak te komen. Appellant heeft de Raad in reactie op de regiebrief laten weten dat hij op een zitting wil worden gehoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.V. Silva de Jesus.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Met een besluit van 14 april 2022 heeft het college een aanvraag van appellant om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Het college heeft met een besluit van 14 juni 2022 het besluit van 14 april 2022 herzien en appellant alsnog een individuele inkomenstoeslag toegekend.
1.3.
Met een besluit van 27 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.
1.4.
Op 27 oktober 2022 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet verstrekken van het besluit van 14 juni 2022. Met een besluit van 23 november 2022 heeft het college te kennen gegeven niet in verzuim te zijn en geweigerd om een dwangsom toe te kennen. Hiertegen heeft appellant op 29 november 2022 bezwaar gemaakt.
1.5.
Appellant heeft het college op 3 maart 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022.
1.6.
Appellant heeft op 9 juni 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022.
1.7.
Met een besluit van 27 juni 2023 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 gegrond verklaard en appellant een dwangsom toegekend van € 1.442,-.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op het bezwaar van 27 oktober 2022 (22/7552) en het beroep tegen het niet verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 (23/4375) niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer 23/4375 overwogen dat het college appellant met de beslissing op het bezwaar van 27 juni 2023 de volledige dwangsom heeft toegekend en dat geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Er zijn immers geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd de ingebrekestelling aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan kan om die reden niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Zoals ter zitting is besproken, is het hoger beroep van appellant alleen gericht tegen de uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 (23/4375).
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de aan hem toegekende dwangsom. Ook had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de door hem gemaakte reiskosten. De Raad zal appellant alsnog de door hem gevraagde schadevergoeding toekennen. Daartoe is het volgende van belang.
4.2.1.
De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist op het in beroep door appellant gedane verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, nu hij op 27 juni 2023 alsnog een dwangsom heeft toegekend, wettelijke rente verschuldigd is omdat de dwangsom al eerder betaald had moeten worden. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom volgens het college worden toegewezen. Omdat het college zich op het standpunt stelt dat de schade voor vergoeding in aanmerking komt, zal het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente worden toegewezen.
4.2.2.
Zoals ter zitting met partijen is vastgesteld, is het belang bij het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom komen te ontvallen met het alsnog toekennen van de dwangsom met het besluit van 27 juni 2023. Gelet op het feit dat het college pas in beroep tegemoetgekomen is aan het bezwaar van appellant, had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de gemaakte reiskosten. De Raad zal dat alsnog doen en daarbij aansluiten bij het besluit tot toekenning van de dwangsom, op grond waarvan – gelet op de ingebrekestelling van 27 oktober 2022 – het college per 11 november 2022 een dwangsom verschuldigd is. Daarvan uitgaande is de laatste dag waarover een dwangsom verschuldigd was 22 december 2022. Het college dient binnen twee weken na die laatste dag de hoogte van de dwangsom vast te stellen. Dat was uiterlijk op 5 januari 2023. De betalingstermijn bedroeg zes weken. Indien het besluit op de dwangsom op de laatste dag van de beslistermijn zou zijn genomen, zou dus op 16 februari 2023 verzuim zijn ingetreden. Op grond van artikel 4:100 van Pro de Awb is de wettelijke rente op laatstgenoemde datum gaan lopen.
4.3.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het college ook een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 en dat er over die dwangsom wettelijke rente verschuldigd is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Dat komt omdat de ingebrekestelling niet is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Dit is vaste rechtspraak. [1]

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De Raad zal alsnog bepalen dat het college wettelijke rente moet betalen over het bedrag van € 1.142,- vanaf 16 februari 2023 tot de dag van de algehele voldoening daarvan. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente moet worden berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. [2] Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 29,40 aan in beroep en hoger beroep gemaakte reiskosten. Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding;
  • veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van schade in de vorm van wettelijke rente zoals onder 4.4 van deze uitspraak is vermeld;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor het overige;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 29,40,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17, eerste lid
Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448, van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290 en van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1962.
2.Vergelijk de uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2602.