ECLI:NL:CRVB:2026:126

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/2611 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 611c RvArt. 611g Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Centrale Raad van Beroep inzake betaling verbeurde dwangsommen Wmo 2015

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland inzake een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het hoger beroep richt zich niet op inhoudelijke bezwaren tegen het primaire besluit, maar op betaling van verbeurde dwangsommen die zijn verbonden aan een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het geschil over de omvang en verschuldigdheid van de dwangsommen niet binnen haar bestuursrechtelijke bevoegdheid valt. Volgens artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de toepasselijkheid van de artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is een dergelijke kwestie een civielrechtelijke aangelegenheid.

De Raad heeft partijen gevraagd of een zitting gewenst was, maar partijen hebben hier geen behoefte aan getoond. De Raad heeft daarom het onderzoek gesloten en verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep over betaling van verbeurde dwangsommen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/2611 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2023, 22/771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 29 januari 2026

SAMENVATTING

Appellante heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroepschrift strekt er enkel toe om betaling te verkrijgen van verbeurde dwangsommen verbonden aan een andere uitspraak. Partijen verschillen van mening over de omvang van de verbeurde dwangsommen. De Raad is niet bevoegd om het college te veroordelen tot betaling van een door de bestuursrechter op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan zijn uitspraak verbonden dwangsom.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere gronden ingediend. Het college heeft daarop gereageerd. Appellante heeft hierna de strekking van het hoger beroep nader toegelicht.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 8 juni 2020 heeft het college aan appellante voor de periode van 12 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verstrekt voor begeleiding bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) met een omvang van 22 uur per maand. In totaal is € 892,80 aan pgb verstrekt.
1.2.
Met een besluit van 3 juli 2020 heeft het college aan appellante voor de periode van 16 juli 2020 tot en met 16 januari 2021 een voorziening verstrekt voor begeleiding bij het huishouden in de vorm van een pgb, waarbij de omvang is vastgesteld op 15,5 uur per maand. In totaal is € 1.860,- aan pgb verstrekt.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit laatste besluit omdat zij het niet eens is met de omvang van de verstrekte voorziening.
1.4.
Appellante heeft op 7 december 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Ook heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening in die zin dat het pgb wordt voorgezet conform het eerdere besluit van 8 juni 2020.
1.5.
Bij uitspraak van 13 januari 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening en op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond verklaard, waarbij het college is opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen onder verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft een voorziening getroffen en bepaald dat het college vanaf 16 januari 2021 een pgb verstrekt, overeenkomstig het pgb dat is toegekend in het primaire besluit van 3 juli 2020.
1.6.
Bij besluit van 3 februari 2021 heeft het college aan appellante voor de periode van 17 januari 2021 tot 16 januari 2024 een voorziening verstrekt voor huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een pgb, waarbij de omvang is vastgesteld op 22 uur per maand.
1.7.
Bij besluit van 30 december 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit van 3 juli 2020 herzien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is en niet duidelijk is welk rechtsgevolg het college met het bestreden besluit heeft beoogd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft het primaire besluit herroepen en bepaald dat appellante over de periode van 16 juli 2020 tot en met 16 januari 2021 recht heeft op een pgb van in totaal € 2.640,00 voor hulp bij het huishouden, uitgaande van een omvang van 22 uur per maand. Het college is opgedragen om het nog verschuldigde bedrag van € 780,00 aan pgb te betalen. Tot slot heeft de rechtbank het college veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank de verschuldigde dwangsommen niet heeft vastgesteld. Zij wil betaling van alle in verband met de uitspraak van 13 januari 2021 verbeurde dwangsommen en heeft verzocht om het college op te dragen deze dwangsommen te betalen. Het college heeft geen gevolg gegeven aan de uitspraak.
Het standpunt van het college
4. Volgens het college is volledig uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Ook heeft het college uitvoering gegeven aan de uitspraak van 13 januari 2021 en dwangsommen betaald en op een later moment wettelijke rente. Het college heeft ten bewijze hiervan betaalspecificaties overgelegd.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad stelt vast dat appellante geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroepschrift strekt er enkel toe om betaling te verkrijgen van verbeurde dwangsommen verbonden aan een andere uitspraak. Partijen verschillen kennelijk van mening over de omvang van de verbeurde dwangsommen verbonden aan de uitspraak van 13 januari 2021.
5.1.
De Raad is niet bevoegd om het college te veroordelen tot betaling van een door de bestuursrechter op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan zijn uitspraak verbonden dwangsom. [1] Gelet op de voormelde artikel zijn de artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent dat een geschil over het daadwerkelijk verbeurd zijn van een eerder door de rechter opgelegde dwangsom een kwestie is die aan de civiele rechter moet worden voorgelegd en geen bestuursrechtelijke aangelegenheid is. Over de hoogte en verschuldigdheid van een rechterlijke dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb kan daarom niet worden geprocedeerd bij de bestuursrechter.

Conclusie en gevolgen

5.2.
De Raad is niet bevoegd om de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsommen vast te stellen en het college te veroordelen tot betaling van deze dwangsommen. De Raad zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het hoger beroepschrift waarin dit verzoek is neergelegd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroepschrift.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) P.WJ. Hospel

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:CRVB:2017:2905, r.o 3.3. Zie ook ECLI:NL:RVS:2013:BY7986, r.o. 3.1.