ECLI:NL:RVS:2013:BY7986

Raad van State

Datum uitspraak
9 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201112828/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid hoger beroep inzake dwangsom bij niet tijdig besluit Wob-verzoek

De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw over het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en het college opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens was een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000, aan appellant toegekend. Appellant verzocht in hoger beroep het college te veroordelen tot betaling van het maximale bedrag van de dwangsom omdat het college volgens hem nog geen besluit had genomen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat zij niet bevoegd is om een partij te veroordelen tot betaling van de door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden dwangsom zoals bedoeld in artikel 8:55d Awb. De beoordeling van de verschuldigdheid van de dwangsom behoort tot de burgerlijke rechter. Tevens werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gericht was tegen het niet vaststellen van de dwangsom door de rechtbank. Het college werd gelast het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak bevestigt de grenzen van de bestuursrechtelijke rechterlijke bevoegdheid bij dwangsommen en wijst partijen op de mogelijkheid om civielrechtelijke procedures te voeren over de betaling van dwangsommen.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd voor het verzoek tot veroordeling tot betaling van de dwangsom en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het niet vaststellen van de dwangsom.

Uitspraak

201112828/1/A3
Datum uitspraak: 9 januari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Beegden, gemeente Maasgouw,
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 november 2011 in zaak nr. 11/1020 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 november 2011 heeft de rechtbank het beroep dat door [appellant] is ingesteld tegen het niet tijdig door het college nemen van een besluit op zijn verzoek van 19 april 2011 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, het college opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en bepaald dat het college aan [appellant] een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 29 oktober 2012.
Krachtens artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het college in de gelegenheid te stellen te reageren op door [appellant] ingediende nadere stukken.
Het college heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en een reactie ingediend.
Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.
Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.
Ingevolge artikel 8:55c stelt de rechtbank, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.
Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, bepaalt de rechtbank, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
Ingevolge het tweede lid verbindt de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb op zijn verzoek de hoogte van de door het college ingevolge artikel 4:17 van Pro de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen op € 1.260,00.
2.1.    Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college vastgesteld dat het aan [appellant] een dwangsom is verschuldigd vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie en de hoogte van deze dwangsom vastgesteld op € 1.260,00. Niet in geschil is dat [appellant] dit besluit heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat voormeld bedrag ingevolge artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb het maximaal te verbeuren bedrag is. In zoverre heeft [appellant] het door hem met het hoger beroep verlangde reeds bereikt en heeft hij geen belang meer bij een beoordeling daarvan.
Het hoger beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
3.    Voorts verzoekt [appellant] het college te veroordelen tot betaling van het maximum van € 15.000,00 van de door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom, nu het college volgens hem nog geen besluit heeft genomen op zijn verzoek om openbaarmaking van informatie.
3.1.    Aan de Afdeling is geen bevoegdheid toegekend om een partij - in dit geval het college - te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. Aan inhoudelijke behandeling van het daartoe strekkende verzoek van [appellant], waarbij onder meer dient te worden beoordeeld of het college de dwangsom heeft verbeurd, wordt daarom niet toegekomen. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsom kan [appellant] zich tot de burgerlijke rechter wenden.
De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
In de omstandigheid dat het college eerst na geruime tijd heeft besloten aan [appellant] voormelde dwangsom van € 1.260,00 te betalen, ziet de Afdeling aanleiding om het college te gelasten het door [appellant] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover daarbij is verzocht het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw te veroordelen tot betaling van het maximum van de door de rechtbank aan de aangevallen uitspraak verbonden nadere dwangsom;
II.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet-vaststellen door de rechtbank van de hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht;
III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.
w.g. Vlasblom    w.g. Herweijer
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2013
640.